15 mei 2005

Het ultimatum


Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een ‘Historikerstreit’ over de vraag of het bombardement dat op14 mei 1940, ’s middags om 13.22 uur, de historische binnenstad van Rotterdam vernietigde een militaire handeling was, die volgens het internationale oorlogsrecht was toegestaan, of een zogenaamd oppervlaktebombardement en dus een daad van ongeoorloofde terreur op de burgerbevolking.
De Duitse legerleiding ter plekke wilde naderhand doen geloven alsof het bombardement voorkomen had kunnen worden. Het had ook (nog) erger had gekund. Maar de beslissing om de stad te vernietigen was op het hoogste niveau door Göring en Hitler genomen. Vanuit het Nederlands perspectief lijkt het echter alsof Rotterdam is opgeofferd voor een paar uur uitstel van executie. Pas toen de Duitsers dreigden ook Utrecht te bombarderen werd de capitulatie van Nederland getekend.
De onverklaarde oorlog was vier dagen oud toen de Duitse opmars stokte op het front dat zich aan weerszijden van de Nieuwe Maas had gevormd. De weerstand was groter dan de Duitsers hadden verwacht. Vliegveld Waalhaven was platgegooid en veroverd, Rotterdam-Zuid en het Noordereiland waren in Duitse handen, daar werden diverse legerdivisies samengevoegd voor de beslissende aanval waarbij Stuka gevechtsvliegtuigen zouden worden gebruikt.
Op de ochtend van dinsdag 14 mei 1940 stuurde de Duitse legercommandant drie onderhandelaars over de Maasbruggen naar het noorden van de stad. Ze werden door Nederlandse militairen ontwapend en geblinddoekt naar kolonel Scharroo gebracht, de commandant van de stad, die in een woonhuis aan de Statenweg in de nieuwe wijk Blijdorp was gestationeerd. De hoogste in rang bij de drie Duitsers was Hauptmann, hij overhandigde de kolonel een ultimatum, waarin met de scherpste maatregelen van vernietiging werd gedreigd als de stad zich niet overgaf. Het ultimatum was ondertekend met “De commandant van de Duitse troepen”.
Scharroo nam telefonisch contact op met generaal Winkelman, de opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten in Den Haag en las hem het ultimatum voor. Een spoedige beslissing was geboden, want de Duitsers eisten om 12.30 uur antwoord. Burgemeester Oud, aan wie het ultimatum eveneens was geadresseerd, had zich op de commandopost gevoegd en was zeer verontrust over de gevolgen die dit dreigement voor zijn stad zou hebben. Hij zei: “Kolonel, u weet toch wat er met Warschau is gebeurd?”
Maar burgers hadden bij het militaire gezag weinig in te brengen. Ook generaal Winkelman stond op zijn strepen. Hij had uiteraard zijn zorgen over de verdediging van de gehele Vesting Holland en ongetwijfeld had hij het ook druk met de gezagsoverdracht van de regering die zich opmaakte om de koninklijke familie naar Engeland te volgen. De generaal was te verstaan gegeven dat “de strijd tot het uiterste moest worden gevoerd, met vermijding van onnodige offers.”
Pas een uur later belde Winkelman naar de Statenweg terug en kreeg Scharroo de opdracht een boodschapper naar de Duitsers te sturen om te zeggen dat een ultimatum alleen in behandeling kon worden genomen als het van militaire rang, naam en handtekening was voorzien.
Om 12.10 uur reed kapitein Backer met dit bericht in vliegende vaart naar de Willemsbrug, hij stak een witte vlag omhoog en ging te voet verder. Tien minuten later was hij in de Van der Takstraat op het Noordereiland, hij liep verder de Koninginnebrug over naar het Stieltjesplein. Op verschillende plaatsen zag hij grote hakenkruisvlaggen uitgespreid liggen. Hij begreep dat dit het gebied was dat bij een luchtaanval gespaard moest blijven. Het was 12.30 uur.
Kapitein Backer werd teruggestuurd met een nieuw ultimatum dat tot 16.30 uur was verlengd en waarin de voorwaarden tot overgave van de stad waren beschreven. Toen hij halverwege de Willemsbrug was werd hij opgeschrikt door het dreunen van een formatie van 54 Heinkels III bommenwerpers die door de rook van de brandende schepen en loodsen van de Holland-Amerika Lijn en enkele vuurhaarden aan de noordkant van de Nieuwe Maas op de stad aanvloog.
Omdat radiocontact met de Heinkels niet meer mogelijk was, werden op het Noordereiland rode lichtkogels afgeschoten, het afgesproken sein dat het bombardement was afgelast. Of werden ze afgeschoten om aan te geven waar de eigen grondtroepen zaten? In ieder geval werden ze opgemerkt door de tweede formatie van 36 bommenwerpers die op grotere hoogte vloog. Terwijl de eerste brandbommen vielen, zwaaide deze tweede groep af en hield de luiken dicht. Het was 13.22 uur. Kapitein Backer zou het tweede ultimatum aan zijn kolonel overhandigen in een stad die hij die ochtend had verlaten en die er ’s middags niet meer was.

Achterpagina NRCHandelsblad 13-5-2005 © Rien Vroegindeweij

24 april 2005

Congo Blues


Op dinsdag 16 juli 2002 verschijnen de moeder, de pleegouders en de voogd van het zevenjarige meisje Ngudi (die in werkelijkheid anders heet) voor de kinderechter van de rechtbank in Rotterdam. De Poolse mevrouw Zora Mickiewicz uit Apeldoorn zal op kosten van justitie voor 90 gulden per uur de woorden van de rechter voor de moeder in het Lingala vertalen.
“Aan de orde is het pleegkind," opent de kinderrechter de zitting en komt na de notatie van de aanwezigen ter zake: “Er was vanuit Pleegzorg in augustus 1998 eerst sprake van crisisopvang, toen profielplaatsing, perspectief biedend. Is dit kind gehecht? Deze vraag ligt voor ons.”
Hechten is het sleutelwoord in deze zaak. “Het gaat om structuur. En hechten. Het gaat vooral om hechten volgens alle deskundigen om ons heen,” schrijft Henk Weltevreden in zijn onlangs verschenen boek Congo Blues. Het is het verslag van zijn rondgang langs de personen en instanties die zich met zijn pleegkind bemoeien dat nu zeven jaar onder de hoede van hem en zijn vrouw is. Een treurige melodie van vaktermen en afkortingen, op een schema van regels en reglementen, voorschriften en ontheffingen, beslissingen en handtekeningen.
“Onze lijst van begeleiders wordt steeds onoverzichtelijker. Een asieladvocaat, een advocaat voor de Onder Toezicht Stelling (OTS), vier gezinsvoogden van de stichting Nidos en vier begeleiders van Pleegzorg binnen vier jaar, ook een teamleider van de Therapeutische Gezins Verpleging (TGV), een psychologe en een kinder- en jeugdpsychiater. En niet te vergeten, de ‘hechtingsspecialisten’. Ze staan allemaal in de documenten die de rechter voor zich heeft. Het onderzoek van het Psychologisch Adviescentrum Rotterdam (PAR) en de verslagen van Medisch Orthopedagogisch Instituut (MPI), het Medisch Kinder Dagverblijf (MKD) De kleine Plantage met de veertien juffen in twee jaar. Daar heeft Ngudi leren hechten.”
Iedereen heeft zijn werk, merkt Weltevreden droogjes op. Na lezing van Congo Blues krijg je de indruk dat wanneer morgen alle vluchtelingen het land uit zouden zijn er overmorgen heel wat hulpverleners op straat komen te staan.
In 1997 besluiten Henk en Anna Weltevreden de zorg op zich te nemen van Ngudi die in het Asiel Zoekers Centrum (AZC) Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, is geboren en sinds enige tijd in kindertehuis Kleinwoud aan de Heemraadsingel in Rotterdam verblijft. Haar vader is in Zaïre, de tegenwoordige Democratische Republiek Congo vermoord, haar moeder vluchtte met een kind en zwanger van Ngudi naar Nederland.
Inmiddels is de procedure voor een verblijfsvergunning tot drie keer toe afgewezen. Van de moeder van Ngudi is sindsdien niets meer vernomen. Zij staat Met Onbekende Bestemming (MOB) geregistreerd. Voor Ngudi is uiteindelijk een voorlopige verblijfsvergunning verkregen, die elk jaar moet worden verlengd. Wat de gemoedsrust voor kind en pleegouders er niet groter op maakt.
Registratienummer 0006424 staat niet op zichzelf. Er zijn tientallen pleegouders van Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers (Ama’s) die de klappen van de bureaucratische molen hebben te verduren. Wat deze zaak bijzonder maakt is dat Weltevreden in staat is geweest om het verhaal inzichtelijk te maken. Als in elke blues worden de tonen van neerslachtigheid afgewisseld met die van hoop en verwachting. In korte schetsen lezen we over de ontwikkeling van Ngudi, van peuter tot schoolkind, haar momenten van inzinking en vreugde.
Henk Weltevreden is schrijver en programmamaker voor de VPRO- en RVU-radio. Vorig jaar reisde hij naar Kinshasa om te zien waar zijn pleegdochter terecht zou komen als ze alsnog zou worden uitgewezen. Volgens de Nederlandse regering is democratisch Congo ‘een veilig land’. In werkelijkheid is het een land van corruptie en oorlogsgeweld. De documentaire die hij over deze reis maakte werd door de RVU uitgezonden en wordt op donderdag 28 april door de VPRO radio herhaald.
Het valt niet te verwachten dat Hare Majesteit de Koningin op haar 25 jarig regeringsjubileum tegemoet zal komen aan het sympathieke maar ietwat horige verzoek van “Een Royaal Gebaar” om de schrijnende gevallen van uitgeprocedeerde vluchtelingen alsnog een verblijfsvergunning te geven. Royale gebaren worden slechts voor leden van de eigen koninklijke familie gemaakt. Voor Ngudi, ‘een vergeten Máxima’, zou het gebaar van een burger die een definitieve handtekening zet voldoende zijn.

NRC Handelsblad Achterpagina 22-4-2005 © Rien Vroegindeweij

8 april 2005

Boze brief


Een vriendin stuurde me het boek “Ik heb er slechts één nul af gedaan – Brieven van en aan Geert Lubberhuizen”. Ze had het dubbel en ze dacht dat ik er wel in geïnteresseerd was omdat er een brief in stond van Jules aan Geert – over mij.
Op 28 augustus 1971 sprak mijn vriend Jules Deelder in een gloedvolle brief er zijn niet geringe verbazing over uit dat De Bezige Bij ‘na een zwijgen van 83 jaar’ de dichtbundel die ik ter publicatie had aangeboden, had teruggestuurd. “Mijn felicitaties! Welk een inzicht is hier tentoongespreid. Werkelijk indrukwekkend! Je begrijpt natuurlijk wel, dat ik gelijk genezen ben van het aanbevelen van nieuw talent. Ik vind het zo verschrikkelijk krankzinnig onbegrijpelijk en stom, dat ik er verder geen woorden aan vuil zal maken. Zijn jullie dan waarlijk blind? Die bundel is gewoon goed en had niet mogen worden teruggestuurd! Daar ga ik desnoods voor tegen de muur!”
Je hebt een vriend of je hebt geen vriend. Ik kan er nu nog verlegen van worden. Het is een van de weinige brieven in het boek die langer is dan een half A4 en niet over geld gaat. Drie weken later schreef Lubberhuizen: “Beste Jules, Ik ben je nog een antwoord schuldig op je laatste mooie boze brief.”
Inderdaad, een mooie brief, al zeg ik het zelf. De boosheid van Deelder richtte zich op de gehele uitgeverij (“Waarom krijg ik godverdomme nooit wat te drinken, als ik kom?” ), op Oscar ‘Bibber’ (Timmer) en andere redacteuren in het bijzonder: “Waarom worden jullie nou niet eens een keer wakker daar in dat mausoleum, dat nog immer wil doorgaan voor de hoofdstad van Nederland. Dikke lul! Jullie weigeren stelselmatig alles wat hier vandaan komt. Omdat het vreemd is. Niet bekend in de door drank aangetaste oren klinkt. Nu, welterusten hoor.”
Die bundel is er overigens wel gekomen, zij het een jaar later. ‘Een vliegtuig van beton’ verscheen als laatste nummer (27) in de zogenaamde cijferreeks. Het was tevens het einde van mijn carrière als De Bezige Bij auteur. Een paar jaar later heb ik nog een contract getekend voor de uitgave van mijn vertaling van Une saison en enfer van Arthur Rimbaud waar ook de handtekening van Lubberhuizen onder stond. Ik heb toen nog in een Spiegeltent op de Schouwburgplein in Rotterdam een uur zitten zwijgen met Remco Campert, die redacteur poëzie was.
Maar de uitvoering liet zo lang op zich wachten dat een andere vertaler en een andere uitgever er met de buit vandoor gingen en ik via een advocaat van de Vereniging van Letterkundigen de gederfde royalty’s moest binnenhalen. Onderhandelingen om het verzameld werk van de in 1977 overleden Riekus Waskowsky, wiens werk bij De Bezige Bij was verschenen, te doen uitgeven liepen eveneens zodanige vertraging op dat het tenslotte bij Bert Bakker terechtkwam.
Halverwege de jaren zeventig was De Bezige Bij niet meer de vooraanstaande en progressieve uitgeverij van weleer. Inleider en samensteller Hans Renders schrijft weliswaar dat Lubberhuizen ‘de experimentele Vijftigers in één aanbieding met de populaire schrijfster Willy Corsari bracht, maar de Vijftigers kwamen pas bij De Bezige Bij terecht nadat ze met hun experimenten bij andere uitgevers waren gedebuteerd.
Ik heb Lubberhuizen een paar keer ontmoet en ik kan niet anders zeggen dat het een aardige man was. Maar zijn hart lag bij de generatie oudere schrijvers, die De Bezige Bij groot hebben gemaakt. Elke uitgever is zo genereus als de verkoopcijfers van zijn auteurs. Dat blijkt ook wel uit de brieven. Behalve verzoeken om geld hadden de schrijvers en dichters van De Bezige Bij hun beste, lieve of waarde Geert, die eigenlijk Geertjan heette, weinig te melden.

2 april 2005

Overvloed en onbehagen


Het zou een flauwe Hollandse grap kunnen zijn, maar het is bittere ernst, op vrijdag 1 april begint de maand van de filosofie. Van Amsterdam tot Zevenaar zullen een maand lang de diepere lagen van ons bewustzijn worden aangeboord, de dwaasheid van onze handel en wandel aan de kaak worden gesteld, de zin van ons zijn en niet-zijn worden belicht.
‘Filosofie voor de zwijnen’ in Middelburg, ‘Het eeuwige tekort’ in Zwolle, ‘Macht en onmacht in Megen’, het zijn slechts enkele manifestaties die onder het centrale thema Overvloed en Onbehagen worden georganiseerd. Voor wie het gehele wijsgerige landschap wil overzien is er een filosofische busreis door Nederland, georganiseerd door het Filosofisch Bureau Ataraxia.
Het lijkt alsof er niets aan het toeval is overgelaten. Filosofisch beredeneerd bestaat toeval geloof ik niet eens. Maar het was wel toevallig dat ik in het kleine antiquariaat van Maliangkay in Delfshaven voor een schappelijke prijs en in goede staat verkerend het boek Overvloed en Onbehagen van Simon Schama aanschafte en nog diezelfde dag Leo van de Wetering, chef Filosofie van boekhandel Donner aan de Lijnbaan in Rotterdam tegenkwam, die mij vertelde dat de opening van de maand van de filosofie in de kelder van het grote boekenpaleis zou plaatsvinden en of ik dan iets wilde zeggen over Overvloed en Onbehagen in Rotterdam.
Rotterdam, stad waarnaar Erasmus zich wilde noemen, waar Pierre Bayle zijn Dictionaire historique et critique schreef en zijn Republiek der Letteren uitgaf en John Locke zijn Essay concerning Human Understanding voltooide. Maar Overvloed en Onbehagen in Rotterdam, dat wordt als ik het goed heb in filosofische termen een tautologie genoemd, in de volksmond een schot voor open doel. Je hoeft geen filosofie te hebben gestudeerd om te constateren dat er in deze stad veel onbehagen is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de putlucht van onbehagen in het huidige tijdsgewricht zich van hieruit over het land heeft verspreid. Maar is er ook overvloed?
Tot voor kort was er in mijn buurt een huis met een grote koperen naamplaat aan de gevel waarin met sierlijke letters “The horn of plenty” stond gegraveerd. Ik kwam er vaak langs en vroeg me dan af wat er achter die deur zat. Misschien was het een liefdadigheidsinstelling of de naam van een reclamebureau, want die doen veel in plenty, in overvloed, misschien was het een sekte waarvan je lid kon worden en dat je dan door die deur toegang had tot een Luilekkerland waar de hoorn des overvloeds van de armlastige havenstad verborgen lag.
Is overvloed en onbehagen eigenlijk niet meer een theologisch dan een filosofisch thema? Ik bedoel, kan je niet net zo goed over het weer filosoferen? In de bijbel is vaak sprake van overvloed, terwijl het onbehagen zich vertaalt in de oudtestamentische toorn des overvloeds. In het Hooglied zien we een boomgaard vol granaatappels met een overvloed aan vruchten, maar meestal wordt het gebruikt in profetische of goddelijke vermaningen en waarschuwingen, als voorbode van onheil. Het bekendst is natuurlijk de droom van de farao over de zeven jaren van overvloed, gevolgd door de zeven jaren van hongersnood.
In Rotterdam verschilt het consumptiepatroon niet of nauwelijks van elke andere westerse stad van gelijke omvang. Er is hooguit een overvloed aan gefrituurde aardappelen. Althans, stelt u zich de vreemdeling voor die op weg naar een filosofendebat bij Donner volkomen onvoorbereid het Binnenwegplein betreedt en daar een weldoorvoede menigte ontwaart die collectief gefrituurde aardappelen zit, staat of loopt te eten, alsof de farao zojuist zijn droom van de zeven magere jaren heeft verteld. Jeroen Bosch zou er een dankbaar onderwerp aan hebben gehad.
Er wordt in Rotterdam door zeer weinigen zeer veel geld verdiend, maar dat zie je niet terug in de stad. Bij overvloed denk je toch aan iets meer dan een volle Koopgoot. Overvloed moet iets weldadigs hebben, iets moois, iets positiefs, zoals in de Griekse mythologie, waar de hoorn van de geit Amalthea, die de jeugdige Zeus op zijn geboorte-eiland Kreta zoogde, het symbool was van rijkdom en vruchtbaarheid. Maar de rijkdom van Rotterdam woont ergens anders. Onbehagen daarentegen is er meer dan genoeg, dat is er bij wijze van spreken in overvloed.

Achterpagina NRC Handelsblad 1-3-2005 © Rien Vroegindeweij

31 maart 2005

Gelezen

“Internet is een prachtige uitvinding, maar het stelt mensen in staat enkel nog met geestverwanten om te gaan, zodat ze voortdurend bevestigd worden in hun obsessies en vooroordelen. Daardoor nemen ze almaar extremere posities in.” Martin Rees, Brits kosmoloog. M NRC Handelsblad 6-3-2005

3 maart 2005

Een vergeten kind


In september 1973 schreef ik een gedicht dat ik nu niet graag meer een gedicht zou noemen. Het heette: “Stijg met mij op, amor americano” en het betreurde de dood van de dichter Pablo Neruda die in Chili aan kanker was gestorven. Het klaagde tegelijk het imperialisme van de Verenigde Staten aan, de onderdrukking en de armoede van het Chileense volk en de fascistische junta van Pinochet die een bloedig einde had gemaakt aan het eerste democratisch gekozen parlement van Zuid-Amerika.
Ik stuurde mijn gedicht aan de redactie van Vrij Nederland met het verzoek het te publiceren en schreef daarbij dat het niet de bedoeling was dat het in de rubriek ‘ingezonden brieven’ terechtkwam, maar “een plaats krijgt, zonder afgebroken regels, het onderwerp en het gedicht waardig.”
Je bent jong en je wilt aandacht. Hoewel jong, ik was toen al bijna dertig en ik kan mij nu verbazen over de naïviteit waarmee ik de larmoyante, pamfletachtige tekst had geschreven en de zekerheid waarmee ik de redactie van het toen nog zeer gerespecteerde opinieweekblad had benaderd.
Leve de naïviteit in haar kinderlijke hoedanigheid, schaamte over haar uiting van onnozelheid. Maar wie maakte zich in die tijd niet druk over de gebeurtenissen in Chili. Wie herinnert zich niet de beelden van het brandende presidentiële paleis De Monado in Santiago de Chili na de luchtaanval door de putschisten. President Salvador Allende verdedigde zich heldhaftig maar tevergeefs met een simpel geweer, al vroeg je je wel af of hij met die modieuze architectenbril op zijn neus het vizier scherp kon stellen.
Kort na de staatsgreep werd het huis van Neruda bij Isla Negra door de militairen verwoest, zijn boeken en schilderijen verbrand, zijn werktafel in stukken gehakt. De ongeneeslijke zieke dichter werd overgebracht naar een ziekenhuis in Santiago, waar hij op 23 september 1973 overleed.
“Kameraden, begraaf me op Isla Negra, tegenover de zee die ik ken, tegenover de oneffen plekken van stenen en golven die mijn verloren ogen nooit meer zullen zien…”, schreef hij in het XXVe canto van zijn beroemdste werk Canto General. Maar om zijn graf stonden soldaten, hun mitrailleurs gericht op de kameraden die het hadden gewaagd afscheid van hem te komen nemen.
Neftalí Ricardo Reyes Basualto, geboren in 1904, ontleende zijn pseudoniem aan de Tsjechische schrijver, dichter en journalist Jan Neruda (1834-1891). In een aantal naslagwerken wordt deze Jan in relatie tot Pablo als half of helemaal vergeten schrijver opgevoerd – in de digitale Winkler Prins wordt zijn naam niet eens genoemd. Dat is vreemd, want Jan Neruda is tot op heden een van de bekendste en meest gelezen schrijvers van Tsjechië. Maar buiten Tsjechië is hij als het ware opgeslokt door de reputatie die de Chileense dichter en diplomaat onder zijn naam heeft verworven.
In 1971 was Pablo Neruda te gast bij Poetry International. Zijn voordracht was indrukwekkend, maar ik herinner me vooral zijn verschijning, statig, een ondoorgrondelijk indianengezicht, en vooral het mooie, lichte pak dat hij droeg. Dat jaar werd hem de Nobelprijs voor literatuur toegekend. Dat zijn grote reputatie enige schade had opgelopen door de lofzangen die hij op Stalin had geschreven in de tijd dat toch al bekend was wat dit vadertje allemaal op zijn geweten had, was alleen bij kenners bekend. Hans Magnus Enzensberger schreef er een verhelderend essay over.
Toen vorig jaar de honderdste geboortedag van Pablo Neruda werd herdacht, werd enige aandacht besteed aan zijn huwelijk met de Nederlandse Maria Hagenaar die hij in Batavia, waar hij consul was, had leren kennen. Neruda liep toen tegen de dertig, de leeftijd waarop de laatste stuiptrekkingen van naïviteit tot de jeugdzonden gerekend mogen worden.
In 1934 werd in Madrid hun dochter Malva Marina geboren. Het huwelijk hield niet lang stand, moeder en kind vertrokken naar Nederland, waar Malva Marina in een pleeggezin in Gouda werd ondergebracht. Ze leed aan hydrocephalus, in de volksmond een waterhoofd genoemd. Ze stierf op 2 maart 1943 en werd op de Algemene Begraafplaats in Gouda begraven.
Het kan zijn dat de grote dichter het ongelukkige kind als een mislukt gedicht in de prullenbak van zijn geheugen heeft gedeponeerd. In zijn tweedelige autobiografie “Ik beken ik heb geleefd” maakte hij een korte aantekening over een naamloze vrouw die hij had leren kennen, “een halfbloed, liever gezegd, een Hollandse met een paar druppels Maleis bloed, die ik erg aardig vond.” Maar over het kind schrijft de dichter die zoveel liefde en lijden in zijn poëzie deed met geen woord.
Een kleine grafsteen in vak B voor huurgraven van de Algemene Begraafplaats aan de Vorstmanstraat in Gouda herinnert aan haar bestaan. Tussen de grijze grafstenen van de Gouwenaren lijkt het alsof men met het toepassen van een rand van badkamertegeltjes en uitsparingen voor het plaatsen van bloemen een enigszins mediterrane sfeer heeft willen scheppen. In 1970 werden nog voor 30 jaar de grafrechten betaald, waarschijnlijk uit de erfenis van de moeder. Die termijn is verstreken, maar de begraafplaats is inmiddels een monument geworden en wordt momenteel gerestaureerd. In Gouda zal de herinnering aan Malva Marina Reyes nog geruime tijd levend worden gehouden.

Achterpagina NRC Handelsblad 2-3-2005 © Rien Vroegindeweij