24 maart 2006

cora

ze is, zei de aanzegger
ze is, zei hij, ze is van de erasmus

zag langs hem heen
de witte toren van de universiteit

o god, hoe kom je er op
zo hoog zo hard, dat steen

nee, het was de brug,
de aantrekkelijke reclamespotjesbrug

was het de ruimte
het water, het water dat vliet onderdoor

onder de lucht
onder de onverschillige lucht?

ze sprak me altijd aan
met een blik die onmiddellijk sloot

zei iets van een kleur, een vorm
dat het anders kon, of niet

nu is ze dood, denk aan haar
gedenk haar, denk aan cora van vliet.

20 maart 2006

Afscheid van de Kneep














Manuel Kneepkens, links, in gezelschap van de schoondochter en kleinzoon van F. Bordewijk, bij de onthulling van de Bint-plaquette in de Saftlevenstraat

Op de dag van de verkiezingen zette hij zijn Afscheidsgedicht op de e-mail. 'Afscheid neem ik van het Stadhuis / Ik zal de bodes missen en de goede koffie / de marmeren trappen, spiegelglad geboend.'
Hij zou ook het marmeren beeld missen van de gespierde naakte man dat midden in de hal van het Stadhuis stond. Sterker door strijd heette het, wat ook de wapenspreuk van de stad was. Ruim tien jaar lang was hij vrijwel dagelijks langs de krachtpatser op zijn sokkel gelopen. Bezoekers had hij op het devies van de havenstad gewezen, dat boven het beeld in een cirkel en in gouden letters op het plafond stond geschreven: navigare necesse est, varen is nodig. Eigenlijk was het de helft van een spreuk, toegeschreven aan de Romeinse houwdegen Gnaeus Pompejus Magnus, die er vivere non est necesse, leven is niet nodig aan toegevoegd had.
Stoere taal. Daar hielden ze hier van. Zelfs de ‘bronzen gongstem van de burgemeester / klinkend als voor een bokswedstrijd’ paste in het taalgebruik van de stad. Ach, de burgemeester, eerste burger van Rommeldam. Ze kenden elkaar al sinds ze rechten studeerden in Leiden. De burgemeester die altijd al burgemeester wilde worden, was toen kroegcommissaris van de sociëteit. Een functie die verbaal gezag vereiste. Je moest de zaken die krom waren recht kunnen praten. Want de volgende dag moest er weer feest worden gevierd.
In de raadszaal hadden ze vaak de verbale degens gekruist. Maar de burgemeester was meestal sterker uit de strijd gekomen. Want hij stond niet alleen boven de partijen, hij was ook lid van een grotere partij. En wat kon je doen als eenmansfractie van de kleine Stadspartij? Lullen als Brugman, maar dat hielp niets, want de deftige Latijnse spreuk van Pompejus werd door het stadsvolk vrij vertaald als ‘Niet lullen maar poetsen.’
Hij had genoeg gepoetst. Als hij dacht aan ‘het holle ploffen / op de deurmat / van de vergaderstukken voor de volgende week’ werd het hem zwaar te moede. Hij had zijn best gedaan, hij had tientallen moties ingediend, die de aardige bodes bij de burgemeester hadden gebracht. Op een zilveren schaaltje, want dat was hier als enige gemeente in Nederland de gewoonte. Hij had gestreden voor meer groen in de stad, autoloze dagen en een luchthaven voor Zeppelins, tegen discriminatie en racisme, hij had er, met zijn partijtje, voor gezorgd dat de stad niet werd opgedeeld in een tiental provinciesteden. Dat had destijds nog een extra zetel opgeleverd. Maar die waren ze weer kwijt geraakt toen ‘de fascist in Armani pak’ op het politieke toneel verscheen.
Met zijn juridische kennis van de gemeentelijke wetgeving had hij de stad een enkele keer voor gerechtelijke dwaling behoed. En steeds weer had hij geprobeerd de harde noten te kraken, met fantasie en humor, maar die werden niet altijd begrepen. Zijn besluit om er mee op te houden had hij ruim voor de verkiezingen genomen. Hij was moegestreden. Hij zou ‘niet langer / na lange nachtvergaderingen’, terwijl de burgemeester door zijn chauffeur naar huis werd gebracht, in dezelfde buurt waar hij woonde ‘door een verlaten Hoogstraat fietsen’.
Ondanks de ongelijke strijd van jaren mocht het gedicht dat hij ten afscheid zou schrijven niet in mineur eindigen. Hij schreef: ‘Het is mooi geweest.’
Manuel Kneepkens, ‘de Kneep’, jurist, dichter, tekenaar en vlaaienkenner, nam afscheid als fractieleider van de Stadspartij Rotterdam. Zijn opvolgster slaagde er niet in voldoende kiezers achter zich te krijgen om de enige zetel in de gemeenteraad te behouden.

12 maart 2006

Leven op de brandgrens

Mijn leven als Rotterdammer begon in de Eendrachtstraat, een zijstraat van de Witte de Withstraat. Om de hoek bij café de Schouw, dat toen The Newspub werd genoemd. Maar die naam heeft geen weerklank gevonden, het is altijd de Schouw of het Schouwtje gebleven.
Daar kwamen de journalisten en redacteuren van de kranten die in en in de omgeving van de Witte de Withstraat waren gevestigd. De fijne heertjes van de Nieuwe Rotterdamsche Courant en de wat grover besnaarde drinkebroers van het Algemeen Dagblad. Verderop zaten de redacties van De Rotterdammer en Trouw in één gebouw, dat waren echte gereformeerde jeneverliefhebbers. Later kwamen daar de pilsmannen van Het Vrije Volk te zitten.
Begin jaren zestig was er nog grote woningnood. Huizen die al te klein waren voor normale bewoning werden met latten en hardboard gesplitst. Ik had een halve woning gehuurd van Rentegevende Eigendommen, de gemeentelijke huisbaas van de onbewoonbaar verklaarde krotten die in 1940 niet door de Duitsers waren gebombardeerd. Leven op de verkoolde resten van de brandgrens.
Ik deelde een verdieping met een lorrenboer en zijn gezin, zij aan de straatkant, ik achter, met uitzicht op een tuintje dat vol lag met puin en omvergevallen schuttingen. Zij waren met z’n vijven, man, vrouw, zoon, en dochter. En oma, die woonde in. Het gezamenlijk toilet op de gang verspreidde geuren waar je bijna van flauw viel en die een halve dag bleven hangen. De holle scheidingswand was niet alleen gehorig, het was een soort klankkast die de conversatie en andere lichaamsgeluiden van de lorrenfamilie versterkt doorgaf.
Vooral als pa er met zijn bakfiets een dag op uit was geweest en goed had geboerd. Dan stommelde hij ’s nachts stomlazerus de trap op waar ma hem opwachtte. Nee, niet met de deegroller, die had ze niet nodig, ze was drie koppen groter dan haar scharminkel en haar verbale kracht werd in de hele buurt gevreesd. Op luide toon gaf ze dan college over het pandemisch ziekteverloop van de mensheid in het algemeen en de wens dat haar voddenprins daaraan zou bezwijken in het bijzonder. Oma mompelde dat ze gelijk had. Zo heb ik het Rotterdams leren kennen dat je tegenwoordig nauwelijks meer hoort in de binnenstad.
Het kwam niet vaak voor dat ik dieper in de sleuf van de Eendrachtstraat doordrong dan de twintig meter die ik nodig had om mijn huis te bereiken. Want daar achterin woonde volk dat je maar beter niet tegen kon komen. Zeker niet als je er artistiek uitzag. Liever richtte ik mijn schreden naar de beschaafde Witte de With met zijn heren van de krant, cafés en winkels. Reed er toen nog een tram door de straat? Of waren de rails al dicht geteerd?
Er was één galerie, of eigenlijk twee in één. Galerie Delta van Hans Sonnenberg en daarachter de zaal van de Rotterdamse Kunstkring. Daar werd de nieuwste kunst getoond. Abstract expressionisme was de mode, iedereen schilderde abstract of op z’n minst abstraherend. Kon je nog net zien was het voorstelde. Zoiets. Ik ging er vaak kijken en ik haalde van alles in mijn hoofd, want ik zat op de avondacademie, vrij tekenen en schilderen. Van alle exposities die ik toen heb gezien, herinner ik me alleen nog de tentoonstelling van de Spaanse schilder Antonio Saura, grote zwarte kruisen, symbolen van de inquisitie of tekens van naderende ondergang.
Het waren duistere tijden die af en toe werden verlicht door een flits van de toekomst. Voor een vriend die op de Filmacademie in Amsterdam zat, schreef ik het scenario voor een korte speelfilm. Geld was er nauwelijks, maar er zijn nog opnamen gemaakt en ik speelde, bij gebrek aan echte acteurs, ook een rol als de geliefde van een meisje dat in het gewone leven Winnie Breur heette. Het was allemaal heel erg nouvelle vaag en de film kwam nooit af. Mijn vriend trouwde, kreeg kinderen en ging op een kantoor werken.
Ik raakte de halve woning kwijt toen ik in dienst moest. Twee maanden zat ik in Ossendrecht, werd overgeplaatst naar de wezenloze legerplaats Wezep en werd afgekeurd wegens een onvoldoende voor stabiliteit. Maar ik had geen huis meer in Rotterdam. Ik keerde voor enige tijd terug naar mijn geboortedorp en van daar verhuisde ik naar Amsterdam, het magies centrum van de wereld. Spannende stad toen, veel te beleven. Maar Rotterdam bleef trekken.
Begin zeventig was ik weer terug, woonde een tijd in het Nieuwe Westen en in Kralingen, maar op een gegeven moment vond ik mijn liefde en geluk drie hoog op een etagewoning in de Witte de Withstraat. Er was veel veranderd, de straat was levendiger en crimineler geworden. Er waren meer cafés bijgekomen, de eerste shoarmatent van de stad had zich er gevestigd. Zat er in mijn eerste periode nog een winkel in rubberwaren, waar stiekem of in ieder geval beschroomd condooms werden verkocht, nu schitterde in neon de naam van seksclub Je t’aime op de gevel van een oud winkelpand. Regelmatig werd een illegale goktent door de politie ontruimd. Voor een schietpartij hoefde je niet te wachten tot de kermis weer in de stad was.
Maar gezellig was het allemaal wel. We zaten in de Ahrens Fox, een café dat naar een vooroorlogse brandspuit was genoemd. In de Schouw treurden de laatste journalisten over de opheffing van hun krant of in het gunstigste geval over de verhuizing naar de rand van de stad. Wij verhuisden trouwens ook naar een ruimer pand in de wijk Middelland.
De opwaardering van de Witte de With tot culturele as, tot kunststraat, of hoe het ook mag heten, heb ik van een zekere afstand gevolgd. Van het levenslied dat Japie Valkhof in de Oase ten gehore bracht tot de autistische kunstuitingen die Witte de With, center for comtemporary art, laat zien. Het kan allemaal in de straat die als zijn naamgever, de zeventiende-eeuwse vlootvoogd Witte Cornelisz de With, voor zijn bestaan heeft moeten vechten.
Want niet alles gaat zonder slag of stoot. Ik herinner me dat de wat rommelige maar goedlopende boekhandel De Boekenbeurs bij mij in de buurt door de gemeente werd verleid zich in de Witte de With te vestigen.
Lang heeft hij het er niet volgehouden, ondanks dat hij op zondag open was toen dat nog verboden was. Misschien was de huur van het pand te hoog of gaf het publiek liever zijn geld uit in de cafés en eethuizen, maar waarschijnlijker is dat de Witte de With meer een avondstraat dan een dagstraat is. Altijd al geweest.

© Rien Vroegindeweij- Bijdrage aan WITTE DE WITH SO COOL verhalen, gedichten, foto’s over de Witte de Withstraat Rotterdam, Uitgeverij Artemis

26 februari 2006

Jong

‘Jong in Rotterdam’ was het thema van een discussie waar ik enige tijd geleden aan deelnam. Als we het over jong hebben, hebben we het vrijwel altijd over jongeren, meervoud. Als groep, en bij uitbreiding, als generatie.
Eén zwaluw maakt geen zomer. Eén jongere maakt geen hangplek, laat staan een jeugdbende of is in staat tot een groepsverkrachting.
Jongeren zijn in, er worden televisieprogramma’s en reclamecampagnes op afgestemd. Bovendien staan jongeren heel vaak op de politieke en bestuurlijke agenda. Want jong zijn is niet alleen maar leuk. Zelfs niet in Rotterdam.
Hoe jong is jong? En hoe Rotterdam is Rotterdam? Ik bedoel, niet alle jongeren beleven de stad op dezelfde manier. Voor een kind met overgewicht zal het een andere omgeving zijn dan voor een aspirant ballerina van de theaterschool.
Als ik naar de jongeren in mijn omgeving kijk, dan zie ik leuke en vervelende, opwindende en saaie, verlegen en brutale, irritante en introverte jongeren. Jongeren zijn net mensen.
Hoe jong is een jongere? Een kind is wel jong maar nog geen jongere. Bij een kind kan je nog met een beetje gezond verstand terecht of desnoods met het handboek pedagogie, maar als het een beetje tegen zit heb je bij een jongere een bibliotheek aan psychiatrische lectuur nodig plus een bataljon aan hulpverleners om te begrijpen waarom hij of zij zo gek doet.
De vroegrijpe jongeren niet meegerekend, denk ik dat het jongere zijn zo ongeveer met veertien à zestien jaar begint. Dan zie je zo’n wezen waarvan je zegt dat de hormonen door het bijna volgroeide lichaam gieren. Zo de ouden zongen, piepen de jongen, zei men vroeger. Maar tegenwoordig zeggen we: het zijn de hormonen.
Is het leuk om jong te zijn in Rotterdam? Met andere woorden, is Rotterdam een goede biotoop voor gierende hormonen?
Aan de discussie namen medewerkers van de GGD en Bouman GGZ deel. Het ging dus niet over de zondagschool of de padvinderij.
Hoewel jongeren daar ook niet altijd veilig zijn. Want waar jongeren zijn, liggen er altijd perverse viezeriken op de loer, geile priesters, hulpbehoevende hulpverleners, vriendelijke ooms, kwaadaardige nichten, stiekeme kinderpornoverzamelaars, gewetenloze dealers en valse loverboys. Jongere zijn is gevaarlijk.
Volgens de telling van 1 januari 2005 zijn er 82.332 jongeren tussen de 15 en 24 jaar in Rotterdam. De meisjes zijn iets in de minderheid, maar dat houdt de spanning er in. Daar zit het probleem niet.
Het overgrote deel doet gewoon wat papa en mamma ook deden, groot groeien, elkaar zoeken, carrière maken en nieuwe jongeren produceren.
Een klein deel wil iets anders, het patroon doorbreken, jointje roken, pilletje slikken, naaldje prikken. Ze willen geestverruiming en krijgen een voortijdige vernauwing. Ze willen liefde en komen in een hoerenkast terecht.
Ik zie wel eens van die jongeren op straat lopen die volgens de mode en code van hun groep gekleed gaan in van die grote jassen met bontgevoerde capuchons en hele wijde spijkerbroeken. Het heeft geloof ik met breakdance en rap te maken. Rappers rappen over armoede en onrecht, over discriminatie en machtsmisbruik, over uitbuiting en kapitalisme en tegen de hypocrisie van de ouderen, maar ondertussen dragen ze kleren die door kinderen in de echte getto’s van de derde wereld worden gestikt. Uit die wijde spijkerbroeken zou je per pijp gemakkelijk twee tenten voor Pakistan kunnen snijden. Dan houden ze nog genoeg stof voor een gewone broek over.
Over jongeren raak je niet uitgepraat. Zolang de ouderen jongen zullen er jongeren zijn. De hormonen blijven zich klonen. De hormonen blijven gieren. En klieren.

Rotterdam Magazine feb/mrt 2006 © Rien Vroegindeweij

27 december 2005

Stadsdichter

Rotterdam krijgt een stadsdichter. Deze nieuwe functie is een initiatief van Manuel Kneepkens, de godfather van de Stadspartij. Manuel is aan zijn laatste maanden in de gemeenteraad bezig. Al enige tijd geleden kondigde hij aan dat het mooi is geweest. Jammer. Hij is een van de weinigen die in de raad de grenzen van de politiek soms verlegt. Zijn tegenstanders noemen hem dan een clown of een nar. Ik heb hem liever dan het bos treurwilgen dat hij met zijn narrenkap regelmatig over de rooie jaagt. Hij vindt gelukkig af en toe ook medestanders. Zijn voorstel een stadsdichter te benoemen is een leuk voorbeeld, al geeft het te denken.
Het land heeft een dichter des Vaderlands. Eerst was dat Gerrit Komrij die na enige jaren afstand deed omdat hij het niet chique vond vreugdevolle gebeurtenissen zoals prinselijke geboortes en huwelijken te begeleiden met het venijn waarin hij zijn pen nu eenmaal doopt. Nu hebben we Driek van Wissen, een Groningse positivo van wie tevoren in het westen niets bekend was. Hij vervult zijn beroep met grote toewijding, geen kwaad woord over koningin of vaderland. Daarom horen we in de beschaafde wereld ook nooit van Driek. De beschaafde wereld zit nu eenmaal niet te wachten op mooie praatjes van een noordelijke inboorling.
Dat juist een avantgardistisch politicus als Manuel Kneepkens zich beijverd heeft om een negentiende-eeuws ogend instituut als de stadsdichter van de grond te krijgen, is bijzonder. In een samenleving die bol staat van de ellende, kan cultuur geen kwaad, vindt hij. Liever een sinterklaasrijm dan de taal van repressie die de politiek ons dagelijks toestuurt. In het kleine Rotterdamse literaire wereldje heeft de functie wel voor enige onrust gezorgd. Wie, oh wie zal het worden? De naam Deelder valt dan vanzelfsprekend als eerste. Maar hij zou geen goede keus zijn. Rotterdam heeft twee gegevens die kunnen scoren: Feyenoord en de haven. Nou, dan zit je bij Jules niet goed, hij kan als overtuigde profeet van Sparta de naam Feyenoord nauwelijks uit zijn strot krijgen en als de haven een succesje boekt, komt dat door de Chinezen en dan weet je wel waar dat op rijmt.
Een andere belangrijke candidaat is Rien Vroegindeweij. Hij moet het worden. Hij schrijft mooie gedichten en heeft de stad vaak als onderwerp van zijn poëzie gekozen. Bovendien stelt hij zich graag langs de zijlijn op en observeert zin en onzin op een intelligente manier. Om dit te onderstrepen citeer ik hier het devies uit zijn bundel ‘Deze middag is een eeuwig heden’ (Uitgeverij L.J. Veen, 2002).

Het land is vol gevaren,
de zee is woest en wijd:
sta als een paal boven water
in de branding van de tijd.

Harmen Jan www.portofrotterdam.nl

4 december 2005

Het fenomeen en de stad

Kort na de moord op Pim Fortuyn gaf burgemeester Opstelten aan de gemeentearchivaris opdracht een reportage te maken over het ‘fenomeen’ Pim Fortuyn in de periode van zijn lijsttrekkerschap voor Leefbaar Rotterdam in 2002. Het resultaat is dit najaar bij uitgeverij Ad. Donker verschenen: Pim Fortuyn en Rotterdam, geschreven door historicus Albert Oosthoek.
Het boek heeft thrillerachtige elementen, vooral in de eerste hoofdstukken waarin zijn opkomst van dag tot dag, soms van uur tot uur, wordt beschreven en de lezer in de keuken van de lokale politiek wordt rondgeleid. De opwinding die de man bij voor- en tegenstanders teweegbracht is nog voelbaar in de vele interviews die hij aan de lokale media gaf en waaruit Oosthoek ruim citeert.
Elk optreden van Fortuyn bracht spanning en sensatie, hij bedacht zelf de clifhangers door midden in een gesprek uit een studio of van een discussietafel weg te lopen. Dat is allemaal bekend. Wat deze geschiedschrijving interessant maakt zijn de vraaggesprekken die Oosthoek met de belangrijkste betrokkenen voerde. Als het eenmaal tot een formatie van een nieuw college komt, blijkt de zogenaamde nieuwe politiek meer wandelgangen, achterkamertjes en geheime locaties nodig te hebben dan de oude politiek die hij dacht te bestrijden.
Op de bijgesloten dvd zien we zijn optredens voor het lokale televisiestation. Met zijn mediagenieke verschijning, de kale kop en de open blik die bij nadere beschouwing toch meer naar binnen is gericht, de brede stropdas en het pak met pochet neemt hij al het voorradige studiolicht in beslag, zodat zijn gesprekspartners er als bleke decorstukken bij zitten. Als de fractieleider van de Stadspartij Manuel Kneepkens hem een ‘fascist in Armani-pak’ noemt, reageert Fortuyn woedend dat hij kostuums van Oger draagt.
Het zou geestig zijn geweest als het niet zo ernstig was bedoeld. Fortuyn was niet van humor gespeend, maar hij zoog het bij wijze van spreken uit zijn eigen tepels. Zo heb ik hem ook leren kennen, lang voordat hij een politiek en publiek figuur werd. Ooit interviewde ik hem voor Rotterdam Magazine PuntUit, voor de rubriek ‘de favoriete plek van … ’. Hij woonde toen nog in een burgermanswoning aan de Randweg in Rotterdam-Zuid, waar hij ruim zicht had op de bijstandtrekkers die de hele dag bier zaten te drinken en naar de televisie zaten te kijken.
Een paar keer hebben we samen in het programma van een lezingenavond gestaan en kort daarna zag ik hem vaak op de fiets of in een klein sportwagentje in mijn straat verschijnen. Zijn grote liefde was namelijk mijn buurman. Maar nooit gaf hij enige blijk van herkenning, een groet of een praatje, wat in Rotterdam al gauw de gewoonte is.
Pim Fortuyn keek als Narcissus in de spiegel en zag alleen zichzelf. Dat hij een flinke steen in de politieke vijver heeft gegooid, is een open deur. De kikkers schrokken ervan en doken weg, maar kwaken al lang weer lustig over het gladde oppervlak van de Haagse Hofvijver.
Zijn geest waart nog door de stad, zij het op steeds grotere afstand in ruimte en tijd. Bij zijn borstbeeld in de Korte Hoogstraat worden nog waxinelichtjes aangestoken en bloemen gezet en zijn bronzen torso waakt in Oger-kostuum over Palazzo di Pietro dat zonder zijn flamboyante bewoner weer gewoon een bakstenen villa is.
Af en toe duikt zijn naam nog op in een gesprek of een discussie, bij zijn aanhangers uiteraard meer dan bij zijn tegenstanders. Maar politiek leeft van de waan van de dag waar de doden geen deel aan hebben.

PuntUit, december 2005 © Rien Vroegindeweij