10 juli 2007

Anna Blaman-prijs 2007

Er komt nog een officieel persbericht, maar ik kan nu al mededelen dat de Anna Blaman-prijs 2007 aan mij is toegekend. De uitreiking zal in november plaatsvinden.

23 juni 2007




Rotterdam Rome vice versa

Ik heb het lang tegen kunnen houden, maar uiteindelijk moest het er toch een keer van komen om een georganiseerde reis te maken. Het reisbureau had onder andere de high lights van Italië in de aanbieding. Een zevendaagse reis naar de steden van Toscane plus een bezoek aan Rome.

De vlucht van Zestienhoven naar de Da Vinci Airport nabij Rome duurde aanmerkelijk korter dan de busreis naar ons hotel in een overigens prachtig dorp aan de Thyreense zee, waar wijlen Marcello Mastroianni onze buurman was geweest. En verder hebben we in één week 2300 kilometer afgebust. Zeer vermoeiend, maar ook zeer de moeite waard.
Ruim dertig jaar geleden was ik een tijdje conducteur op de couchettetrein van de Wagons Lits en toen kwam ik wel eens in Italië, in Milaan en in Ventimiglia. Maar het echte Italië ligt in Rome, dan wel in Toscane, in de steden Sienna, Volterra, San Gimignano, Luca, Pisa en Florence. Mamma mia, calzone di quatro staziones, wat een schoonheden! Je valt van de ene verbazing in de andere. Je komt ogen te kort. Ik kon er in ieder geval niet genoeg van krijgen, maar er schijnen mensen te bestaan die er niet tegen kunnen, die van zoveel schoonheid in de war raken.
Dat overkwam de Franse schrijver Stendhal toen hij in het begin van de 19e eeuw Florence bezocht. In de Santa Croce basiliek, het mausoleum waar renaissance grootheden als Michelangelo, Galileï en Machiavelli in hun praalgraf liggen opgebaard, klopte hem het hart in de keel. Bij het zien van zoveel schoonheid raakte de Fransman in psychotische toestand. Dat de overgevoelige Stendhal vaak en voornamelijk achter de verkeerde en meestal reeds getrouwde vrouwen aan zat, had daar misschien ook mee te maken.
Hoe vaak had ik niet een foto of een filmbeeld van het Colosseum gezien. Maar er echt bij staan is toch iets anders. Je hoorde de gladiatoren schreeuwen en de wilde roofdieren brullen. Of was dat het lawaai dat de duizenden toeristen maakten? Bij de Trévifontein was het wat dat betreft helemaal een gekkenhuis. Als je nooit in de Sint Pieter bent geweest, denk je als ongelovige calvinist misschien dat de rooms-katholieke kerk een poppenkast is. Inderdaad, maar wel een hele mooie en een hele grote. Al is hij dan ter ere van een arme timmermanszoon opgericht, hij is bepaald niet van triplex en hardboard gemaakt.
Van de Antieke Oudheid door de duistere Middeleeuwen en via het schitterende licht van de Renaissance naar het moderne en postmoderne Hier en Nu van Rotterdam is een korte vlucht maar een grote stap. Er zijn mensen die Rotterdam de mooiste stad van Nederland vinden, zo niet van de wereld, in ieder geval een wereldstad. Maar die zijn kennelijk nooit in Rome geweest.

Rome en Rotterdam, de beginklank is dezelfde maar daarmee houdt de vergelijking ook op. De eeuwige stad, oude hoofdstad van een imperium, minstens 3000 jaar oud, zetel van een wereldgodsdienst, en een provinciestad van 650 jaar zijn uiteraard onvergelijkbaar.
Zou ooit iemand zijn flauwgevallen bij het zien van de Euromast of de Erasmusbrug? Of in een psychose zijn geraakt bij het aanschouwen van de praalgraven van Johan van Brakel, Egbert Kortenaer en Witte Corneliszoon de With die in onze eigen Grote of Sint Laurenskerk al eeuwen in marmer liggen te pronken?
Heinrich Heine schreef dat Göttingen, de stad waar hij studeerde, op zijn voordeligst uitkwam als je er met de rug naar toe stond. Rotterdam toont zich op zijn fraaist als je er van enige afstand naar kijkt. Als je bijvoorbeeld vanaf de Van Brienenoordbrug de skyline ziet, dan zie je een stad liggen waar je snel naar toe wilt. Maar naarmate je dichterbij komt en als het ware de skyline binnen rijdt, dan moet je toch, zeker met de steden van Italië nog vers in het geheugen, als een soort winstwaarschuwing, je schoonheidsverwachting telkens een beetje meer naar beneden bijstellen. Het is niet anders. Roma locuta, causa finita.

Rotterdam Magazine PuntUit juni/juli 2007

12 mei 2007

Brandgrens


In de 'bonbondoos' bovenop de Van Nelle fabriek werd beslist dat de binnenstad van Rotterdam een city naar Amerikaans voorbeeld zou worden.

In het jaar dat Rotterdam zijn 600-jarig bestaan zou vieren, werd de historische binnenstad op 14 mei 1940 door 97.000 kilo Duitse brisantbommen verwoest. Wat in eeuwen was opgebouwd, werd in tien minuten vernietigd. De bommen zetten de stad in lichterlaaie, een verterend vuur loeide door de straten, door huizen en gebouwen. Waar het vuur stopte, ontstond de brandgrens, die de overgang tussen vóór en na, tussen oud en nieuw Rotterdam zou markeren.
Toen een half jaar later het puin was geruimd en op stapels gezet, leefden de Rotterdammers in een stad die er niet meer was. De dingen die het dagelijks leven vertrouwd en mededeelbaar hadden gemaakt, waren verdwenen: opschriften van winkels, straathoeken, uithangborden, etc. Op de Coolsingel stonden het Stadhuis, het Postkantoor, een hotel en een warenhuis nog overeind. Maar overal elders betwistte men elkaar waar de waterstoker had gezeten of dat de paardenslager op de hoek van die en die straat zat.
Vier dagen na het bombardement werd er al vergaderd over de plannen voor de wederopbouw. Niet door de bestuurders, maar door de havenbaronnen en industriëlen, die altijd al de dienst in de havenstad hadden uitgemaakt. Plaats van bijeenkomst: het directiekantoor, bijgenaamd ‘de bonbondoos’, in de Van Nelle fabriek, waar directeur Van der Leeuw de vergadering voorzat. Daar werd beslist dat de binnenstad een zakencentrum, een city naar Amerikaans voorbeeld zou worden.
Stadsarchitect Witteveen ontwikkelde een plan dat hij in 1941 presenteerde. Hij bepleitte om op het stramien van het oude stratenplan de binnenstad voor een groot deel te restaureren of tenminste herkenbare herbouw te realiseren. Maar dat was niet helemaal de bedoeling. Witteveen werd min of meer opzij gezet (hij nam in 1945 ontslag) en zijn assistent Van Traa, die meer geneigd was naar zijn opdrachtgevers te luisteren, maakte een nieuw plan, in feite niets meer dan een nieuw stratenplan, dat voorzag in de aanleg van brede verkeerswegen en waarin ruime kavels waren gereserveerd voor de bouw van bank- en kantoorgebouwen, winkels, warenhuizen en bedrijfspanden. Zo kregen de navolgers van het Nieuwe Bouwen vrij baan om hun dozen van glas en beton en andere Siberische tochtgaten neer te zetten en ‘aan de schepping van nieuwe maatschappelijke ordeningen mee te werken’ (Bakema).
De meeste gebouwen die het bombardement hadden overleefd en konden worden hersteld, werden omwille van het wederopbouwplan afgebroken. Het heeft maar een haar gescheeld of men had met genoegen de ruïne van de Laurenskerk gesloopt omdat die in de weg stond. De Coolsingel, voor de oorlog een kosmopolitische boulevard, hoofdstraat van een drukbevolkt gebied, waar naast handelshuizen theaters, bioscopen, dancings en grandcafés waren gevestigd, werd een verkeerweg waar na zessen het spreekwoordelijke kanon kon worden afgeschoten zonder iemand te raken. Een straat waar heden ten dage nog niemand woont omdat er geen woonhuizen zijn.
De voormalige bewoners van de binnenstad werden naar de buitenwijken en verder verwezen of werden aan hun lot overgelaten. Tienduizenden Rotterdammers hebben decennia lang bij familie ingewoond, of vonden een onderkomen in een veelal onbewoonbaar verklaarde ‘halve woning’.
Het heeft lang geduurd voordat het besef doordrong dat een binnenstad meer is dan een verzameling bedrijfsgebouwen en toevoerwegen. Momenteel is de brandgrens weer enigszins zichtbaar omdat op verschillende plaatsen de wederopbouwgebouwen worden gesloopt om plaats te maken voor de wolkenkrabbers van een nieuwe maatschappelijke ordening.
Naar een aangenomen motie van Manuel Kneepkens, voorman van de inmiddels verdwenen Stadspartij, zal de brandgrens op de een of andere wijze worden gemarkeerd. Aanstaande maandag wordt bekend gemaakt hoe dat zal gebeuren. De wens van de initiatiefnemer is een eenvoudige markering in het plaveisel. Te vrezen valt dat we daar in de postmoderne architectuurstad niet mee weg komen.

NRC Handelsblad Achterpagina, 12 mei 2007


7 mei 2007

Tiengemeten

Op 10 mei a.s. wordt het agrarische eiland Tiengemeten om zo te zeggen officieel teruggegeven aan de natuur. Vaste bewoner Ton van der Graaf schreef er een mooi boekje over ‘Over het Vuile Gat naar Tiengemeten’. Anekdotes, herinneringen, wetenswaardigheden. En natuurlijk sterke verhalen. Het boekje is voor de prijs van € 9,95 te koop in het bezoekerscentrum op het eiland en op het vasteland. Het voorwoord is van Geert Mak. Ik schreef er een gedicht voor.

Tiengemeten

Waar eens in kaarsrechte kavels,
doorsneden door nog rechter sloten,
peen en uien, graan en aarpels
aan de vruchtbare klei ontsproten

en mens en dier zich veilig waanden
achter de dijken van dit kleine land,
zal het bewerkte en het bestaande
weer opgaan in een oud verband

dat van het vasteland gescheiden
in aanvang reeds bestond: kringloop
onder het regiem van de getijden
zandbank, broedplaats, biotoop.

15 april 2007


De man van Marathon

Ooit versloegen Athene's helden
de Perzen in de slag bij Marathon.
Om dit heuglijk nieuws te melden
liep één held zo hard hij kon

naar Athene om daar uit te leggen
hoe de strijd verlopen was.
Maar hij kon geen pap meer zeggen
en stierf ter plekke, in het harnas

zogezegd; de mensen in Athene
zeiden in hun eigen sportjargon:
hij had vandaag geen goeie benen

en hij had veel meer moeten trainen
voor zo'n lange loop van Marathon.
Nu weten we nog niet wie er won.

10 april 2007

A Punt Moonen

Op maandag 29 januari 2007 stond in een rouwadvertentie in NRC Handelsblad dat op woensdag 24 januari 2007 in het verpleeghuis Hannie Dekhuijzen van de Stichting Humanitas in Rotterdam A.W.P. Moonen was overleden. Over de pagina met rouwadvertenties laat ik altijd maar een half oog gaan. Daarom had ik niet in de gaten dat A.W.P. Moonen de Rotterdamse schrijver en dichter A Punt Moonen was. Terwijl de advertentie toch opende met een regel die onmiskenbaar van hem was: ‘Nabestaanden, erfgenamen, volgauto’s, regen en wind. Na U’. Een regel die in een andere indeling een gedicht uit zijn bundel Gezagvoerdersverzen uit 1988 bleek te zijn.
A. Moonen werd op 28 augustus 1937 geboren in de Hollandsestraat op Rotterdam-Zuid. Over zijn jeugd is weinig bekend. Na Rotterdam woonde hij in Den Haag, in Delft en in Amersfoort en vervolgens in Amsterdam, waar hij zijn beste jaren beleefde. Hij publiceerde in het satirische studentenblad Propria Cures, werd bekend als provocateur, hij was de sidekick in het programma RUR van Jan Lenferink en was een veelgevraagde gast op de VPRO Radio. Hij werd een keer door professor Karel van het Reve hoogstpersoonlijk van een podium geslagen. En dan schijn je er in Amsterdam helemaal bij te horen. Begin jaren negentig keerde hij naar zijn geboortestad terug.
Feitelijkheid en fantasie lopen in werk en leven van Moonen door elkaar, hij kon op een plechtstatige wijze over hele vieze dingen schrijven, over dingen onder de gordel zal ik maar zeggen. Zo vond hij het vrouwelijk geslachtsdeel in onze Westerse cultuur schromelijk overschat, terwijl hij de loftrompet stak over het achterwerk van zijn Turkse minnaar Hikmet, tevens huisvader in Bospolder. Hij deed het met mannen en jongens, maar een vrouw, mits van meer dan gemiddelde omvang, was ook welkom.
A Punt Moonen. Op de vraag waar de punt voor stond, antwoordde hij vóór Moonen. Niemand wist precies of hij Arie, Adrie of Arend of misschien wel Arendo heette. A. Moonen, de schrijver, niet te verwarren met A. Moonen, de paardenslager uit de Mauritsstraat, tegenwoordig de slager van Hotel New York.
In 1986 publiceerde hij de roman De wurger van Delft, dat als zijn beste boek wordt beschouwd. Daarin beschreef hij in detail bepaalde zaken over een geruchtmakende moordzaak, zodanig dat hij als verdachte werd gearresteerd en verhoord. In de bundel Naar Portugal doet hij in het verhaal Hotel Lissabon verslag van een vakantietripje naar Portugal, dat wil zeggen, naar Hotel Lissabon in de Kortenaerstraat te Rotterdam. Op vakantie in de eigen stad dus.
Lingerie en bevredigingsmateriaal, waaronder een reisirrigator, worden ingepakt. “Omstreeks halfelf die maandagavond stond ik gereed voor een bestelde taxi. Neemt u ook altijd de achterbank? ’t Hotelletje bevond zich op enkele minuten loopafstand van het ziekenhuis alwaar ik me bijna had laten versnijden door een onverschillig richting vooroverbuigende assistente glurende chirurg. Buiten een redelijk Nederlandstalige Portugese tapster en americano haspelende spanjool om bevond zich verder niemand beneden. Als een wereldwijdse figuur nam ik plaats aan een schemerige hoektafel. Flamencomuziek bestendigde mijn vakantiedroom.
Het avontuur eindigt na een doorwaakte nacht naast een raam dat niet dicht kon en een razende stoomketel. In het verhaal Zelfverzorging neemt hij zich voor naar crematorium Hofwijk te fietsen en aldaar bij de receptie te vragen of ze al zover zijn dat iemand levend gecremeerd kan worden.
Op dinsdagochtend 30 januari 2007 om 10.30 uur werd Arie Wilhelmus Pieter Moonen op de Algemene Begraafplaats Crooswijk ter aarde besteld. Van de armen begraven, met een bloemstuk en een lint van de SoZaWe (Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Een mevrouw van de begrafenisonderneming leidde de dienst die niet langer dan een kwartier duurde. Er waren vier dames van het verpleeghuis en een aantal literaire vrienden die hem de laatste jaren ook niet meer hadden gesproken. Het was een koude, gure ochtend. Nabestaanden, erfgenamen, volgauto’s, regen en wind. Na U.

Leven in Rotterdam Punt Uit april/mei 2007