Er stond iets te gebeuren, je zag het op de pleinen,
in de winkels, het verkeer dat koppig de stad
binnendrong tot waar groot licht moest schijnen
een licht dat scheen voor wie er oog voor had.
Er was een kerstboom groter dan verleden jaar,
terzijde van een warenhuis stond een koor te
zingen bij een gettoblaster: wie er naar
luisterde hoorde liederen van verlossing en geboorte.
Het leek een soort van volkstelling, met zo velen
waren ze gekomen en ja, wie zich aan een kassa
meldde werd geteld en af- of bijgeschreven.
Zo ging een ieder zijn weg en allen wilden delen
in het geloof dat een groot geheim de massa
deed bewegen en stilstaan en werd voortgedreven.
30 december 2007
7 december 2007
Feestrede van Peter Bulthuis
uitgesproken bij de uitreiking van de Anna Blaman Prijs 2007 in de Burgerzaal van het Stadhuis te Rotterdam, 16 november 2007
Meneer de burgemeester, dames en heren van het bestuur en de commissie van het Prins Bernhard Cultuurfonds Zuid-Holland, andere dames en heren, en beste Rien en Ineke,
In de bundel Statig Landschap achter Glas (Bert Bakker, 1984, blz. 38) van onze laureaat vindt u het volgende kwatrijn, getiteld: Het laatste woord.
Het laatste woord
` De heer P.H.J. Bulthuis, de biograaf,
zal de laatste zijn van alle sprekers
en whisky drinken op een sarcofaag,
uit een aanbieding van fa Hellebrekers.
Behalve dat ik dit, uiteraard, een mooi gedicht vind, verklaart het ook, min of meer, mijn aanwezigheid hier. Het gedicht is ongeveer twintig jaar jong. Ik kende Rien toen al geruime tijd langer.
Ik neem u mee naar een herfstavond van ongeveer dertig jaar geleden. Slierten mist opgehangen aan lantarenpalen. De laatste bladeren aan hun takken schermend met de wind. De destijdse bar van de AMVJ in het eertijdse Rijnhotel. Ik besloot mijn jas maar weer eens aan te trekken om huiswaarts te keren. Die jas: een zogenaamde ‘Leidse duffel’, een houtje-touwtje jas, kopie van de zogenaamde Monty-coat, de onverwoestbare, eens voor ₤ 10.000 ontworpen voor het Britse invasieleger om de landing in Normandië te kunnen doorstaan (ik mag zulke details wel, vooral wanneer ze er niets toe doen voor de rest van het verhaal).
Op weg naar huis bemerkte ik in mijn jaszak een vergeten boodschappenbriefje. Onder een lantarenpaal bleek dat een gedicht te zijn.
Testament
Reeds lag hij geborgen in de schoot van moeder aarde
Toen zij de enveloppe vond, waarop deze vier regels:
In deze zak zit nog een aantal koffiezegels
Van Douwe Egberts, die ik stiekem voor je spaarde.
Ik had je zo graag die elektrise molen willen geven.
Als je hem nog hebben wilt, spaar dan zelf nog even.
Door bemiddeling van de barbediende (‘Kent u iemand met net zo’n jas als ik, die bovendien gedichten schrijft; dan is dit niet mijn jas maar de zijne’ - de blik van de barbediende staat me nog levendig bij) vond uitwisseling van jassen plaats. Zodoende zijn wij sindsdien vrienden en bleef het gedicht bewaard. U vindt het op blz. 47 in Een vliegtuig van beton (Bezige Bij, 1973).
Er is met dit gedicht Testament iets zeer bijzonders aan de hand - dat was me die ongeveer dertig jaar geleden direct al duidelijk, hoewel het wel wat langer heeft geduurd voordat ik het waarom daarvan wist. Hoewel het een vroeg gedicht is van Vroegindeweij, is het een goed gedicht; en goede gedichten zijn zeer schaars, vooral goede vroege gedichten. Er staat meestal te veel in, wat dan de zaak bederft, of te weinig, zodat er nog niet staat wat er moest staan. Maar hier staat ieder woord op zijn plaats met geen woord te veel of te weinig. Het is ook een authentiek gedicht, waarvan me geen voorbeeld of model bekend was of is. In zo’n geval heb je met een echte dichter te maken.
Het verhaal zit ingewikkelder in elkaar zit dan bij eerste kennismaking lijkt, zoals bij veel gedichten van Vroegindeweij. Ook dat is prima. De werkelijkheid is ook niet eenvoudig. Het is een postuum liefdesgedicht - die zijn me verder ook niet bekend - vandaar die kort voor zijn dood door de maker in de enveloppe verzamelde en achteraf bezorgde koffiezegels. Dat wordt verteld in een kwatrijn gevolgd door een distichon, met zogenaamde ‘accentverzen’ (‘sprung rhythm’, in het Engels) ‘waarbij de regels niet metrisch worden geschreven, maar alleen de hoofdaccenten het ritme schragen en worden geteld, en de onbeklemtoonde lettergrepen van regel tot regel in aantal en plaats waar ze voorkomen mogen variëren’ (ik citeer hier Cees Budding’, Lexicon der Poëzie, Van Ditmar 1968, blz. 156).
Dat ‘sprung rhythm’ vereist een vaste hand. Je zou ook kunnen zeggen dat het ritme (en hier bovendien het ongedwongen rijm) voorzichtig tussen de regels door schemeren en bijna onmerkbaar, zoals dat past in dit gedicht, het gedicht in de gewenste richting sturen. Daar zou veel meer over te zeggen zijn, bijvoorbeeld dat het een herstel van de poëzie impliceert en de daarbij te volgen richting aangeeft, nadat de poëzie in onze voortvarende stad in de jaren ’60 werd afgeschaft (Gard Sivik, de Nieuwe Stijl), maar dat laat ik nu maar even achterwege. Als ik u voorlopig maar heb duidelijk gemaakt dat naar mijn smaak het kenmerk van de beste gedichten van Rien Vroegindeweij - en waar praat je anders over in gezelschap van de dichter? - hun bedrieglijke eenvoud is.
Over die bedrieglijke eenvoud van de beste gedichten van Rien Vroegindeweij nu tot slot nog één en ander.
Een kleine omweg wilt u mij daarbij wel vergeven.
In een studie uit de jaren ’30, getiteld The use of poetry and the use of criticism - mijn exemplaar van het boek, uit 1964, afkomstig uit de mede door Rien Vroegindeweij opgerichte poëziewinkel W. Pieterse in Poëzie - stelt T.S. Eliot zich (en ons) de hamvraag wat nu wel in feite het nut (‘the use’) van poëzie mag zijn. Eliot vindt dat, in zekere zin - het komt er nu op aan om zeer precies te citeren - een nonsense-vraag, al was het alleen maar omdat op die vraag op verschillende moment in de tijd en in verschillende tradities zeer uiteenlopende antwoorden zijn gegeven, even uitstekend als tegenstrijdig - en wat dán nog? Maar, voegt Eliot er dan bijna terloops aan toe, er kan geen twijfel over bestaan dat het altijd in de bedoeling van de dichters heeft gelegen en ligt om hun publiek aangenaam bezig te houden: ‘to give pleasure, to entertain or divert people.’ En eigenlijk laat Eliot het daar dan verder bij.
Voor mij, en naar ik vermoed ook voor u, wij allen ten zeerste doordrongen van het feit dat poëzie een hoog ernstige zaak is, was en is dit toch wel even schrikken. Maar bekomen van de schrik, en toen ik er nog eens goed over had nagedacht, leek me dit toch wel een juiste beschrijving, en naar ik vermoed de enige juiste, van ‘the use of poetry’: het nut, maar ook het gebruik, van poëzie - ’to give pleasure, to entertain or divert people.’
En dan nodig ik u nu uit om eens te horen hoe Rien Vroegindeweij dat aanpakt. Vergeet u nu even met mij alles wat ik of u nog zou kunnen opmerken over zaken als alliteratie, verborgen metrum, binnenrijm, assonantie, of wat dies meer zij. Dit alles is overigens in ruime mate aanwezig in de gedichten, maar zeer onnadrukkelijk, en als u goed luistert is dat het juist, dat bijna ongrijpbare, waardoor eens zo nadrukkelijk de vertrouwde woorden opnieuw betekenis of een nieuwe betekenis krijgen, en daar gaat het om in deze poëzie. En in dé poëzie. Niet meer. Niet minder.
Ik koos drie korte gedichten uit de laatste bundel Gemengde Berichten (Nieuw Amsterdam Uitgevers 2006) die volgens mij indicatief zijn voor het oeuvre van Rien Vroegindeweij in de breedte. In mijn exemplaar heeft Rien voor mij voorin geschreven: ‘Het leven: / Een gedicht is een / houtjetouwtje jas / die niet van jou is / zo is het, en niet anders.’ En zo is het.
Drie gedichten.
Ik koos het eerste gedicht (bladzijde. 35) omdat het een gebeurtenis beschrijft die wij beiden ongeveer een halve eeuw terug op precies dezelfde wijze hebben meegemaakt tijdens de Watersnood van 1953. Vader die op de eerste verdieping met een latje, van traptrede naar traptrede opgetild, bekijkt hoe hoog het water inmiddels staat. Rien in Middelharnis, ik in Zierikzee. Rien was toen acht -, ik elf jaar; ik was altijd al wat ouder dan meneer.
(Toen de dijken braken, III)
De jongen wachtte op de dingen die komen zouden.
Zijn vader zette de kachel op tafel, zijn moeder
bracht de huisraad naar boven. Toen begon het wachten.
Het wachten op het water. Het kwam als een groot grijs
monster dat zich breed uitrolde over het bouwterrein
over het braakland naar het huis waar hij woonde.
Hij hoorde de kelder vollopen, de deuren kraakten
het monster steeg hoger en hoger, kwam de trap op.
Hij was bang. Zijn vader mat hoe hoog het kwam.
Dan het gedicht op bladzijde 7, waarmee de bundel opent.
(Waarheid)
In de keizerrijken van het oude China
stond de waarheid onomstotelijk vast.
Iedereen werd geacht haar te kennen
en geen fratsen met haar uit te halen.
Dichters die aan haar wetten tornden
werden van het hof verbannen
naar verre en eenzame gebieden
waar de mooiste poëzie werd geschreven.
Tenslotte het naar mijn smaak mooiste gedicht uit de bundel (bladzijde 11).
(Na de piep)
Als je belt vanmiddag kan het zijn
dat ik je niet hoor dat ik achter ben.
We brengen de laatste dagen van de zomer door
de bloem wordt bleek, het blad verkleurt.
Zo draait het wiel de hemel door
bereikt de heg, draait naar het punt
waar het verder moet, maait hier en daar wat weg.
Een late roos bloeit ongenadig op.
Als je belt kan het zijn dat ik achter ben
dat ik je niet hoor dat ik bezig ben
spreek een boodschap in, zeg wat je zeggen wilt
ik bel terug, jazeker, ik bel terug.
Dames en heren, van de schilder Delacroix de volgende uitspraak: ‘Wanneer men twintig is, en dichter, dan is men twintig; maar wanneer men veertig is, en dichter, dan is men een dichter.’ Rien Vroegindeweij is van 1944 en heeft een groot aantal gedichten geschreven die mij, en ik hoop u ook, zeer veel plezier hebben bezorgd; en de rest mag u erbij verzinnen.
PB
Rotterdam 10-14/11/07
Meneer de burgemeester, dames en heren van het bestuur en de commissie van het Prins Bernhard Cultuurfonds Zuid-Holland, andere dames en heren, en beste Rien en Ineke,
In de bundel Statig Landschap achter Glas (Bert Bakker, 1984, blz. 38) van onze laureaat vindt u het volgende kwatrijn, getiteld: Het laatste woord.
Het laatste woord
` De heer P.H.J. Bulthuis, de biograaf,
zal de laatste zijn van alle sprekers
en whisky drinken op een sarcofaag,
uit een aanbieding van fa Hellebrekers.
Behalve dat ik dit, uiteraard, een mooi gedicht vind, verklaart het ook, min of meer, mijn aanwezigheid hier. Het gedicht is ongeveer twintig jaar jong. Ik kende Rien toen al geruime tijd langer.
Ik neem u mee naar een herfstavond van ongeveer dertig jaar geleden. Slierten mist opgehangen aan lantarenpalen. De laatste bladeren aan hun takken schermend met de wind. De destijdse bar van de AMVJ in het eertijdse Rijnhotel. Ik besloot mijn jas maar weer eens aan te trekken om huiswaarts te keren. Die jas: een zogenaamde ‘Leidse duffel’, een houtje-touwtje jas, kopie van de zogenaamde Monty-coat, de onverwoestbare, eens voor ₤ 10.000 ontworpen voor het Britse invasieleger om de landing in Normandië te kunnen doorstaan (ik mag zulke details wel, vooral wanneer ze er niets toe doen voor de rest van het verhaal).
Op weg naar huis bemerkte ik in mijn jaszak een vergeten boodschappenbriefje. Onder een lantarenpaal bleek dat een gedicht te zijn.
Testament
Reeds lag hij geborgen in de schoot van moeder aarde
Toen zij de enveloppe vond, waarop deze vier regels:
In deze zak zit nog een aantal koffiezegels
Van Douwe Egberts, die ik stiekem voor je spaarde.
Ik had je zo graag die elektrise molen willen geven.
Als je hem nog hebben wilt, spaar dan zelf nog even.
Door bemiddeling van de barbediende (‘Kent u iemand met net zo’n jas als ik, die bovendien gedichten schrijft; dan is dit niet mijn jas maar de zijne’ - de blik van de barbediende staat me nog levendig bij) vond uitwisseling van jassen plaats. Zodoende zijn wij sindsdien vrienden en bleef het gedicht bewaard. U vindt het op blz. 47 in Een vliegtuig van beton (Bezige Bij, 1973).
Er is met dit gedicht Testament iets zeer bijzonders aan de hand - dat was me die ongeveer dertig jaar geleden direct al duidelijk, hoewel het wel wat langer heeft geduurd voordat ik het waarom daarvan wist. Hoewel het een vroeg gedicht is van Vroegindeweij, is het een goed gedicht; en goede gedichten zijn zeer schaars, vooral goede vroege gedichten. Er staat meestal te veel in, wat dan de zaak bederft, of te weinig, zodat er nog niet staat wat er moest staan. Maar hier staat ieder woord op zijn plaats met geen woord te veel of te weinig. Het is ook een authentiek gedicht, waarvan me geen voorbeeld of model bekend was of is. In zo’n geval heb je met een echte dichter te maken.
Het verhaal zit ingewikkelder in elkaar zit dan bij eerste kennismaking lijkt, zoals bij veel gedichten van Vroegindeweij. Ook dat is prima. De werkelijkheid is ook niet eenvoudig. Het is een postuum liefdesgedicht - die zijn me verder ook niet bekend - vandaar die kort voor zijn dood door de maker in de enveloppe verzamelde en achteraf bezorgde koffiezegels. Dat wordt verteld in een kwatrijn gevolgd door een distichon, met zogenaamde ‘accentverzen’ (‘sprung rhythm’, in het Engels) ‘waarbij de regels niet metrisch worden geschreven, maar alleen de hoofdaccenten het ritme schragen en worden geteld, en de onbeklemtoonde lettergrepen van regel tot regel in aantal en plaats waar ze voorkomen mogen variëren’ (ik citeer hier Cees Budding’, Lexicon der Poëzie, Van Ditmar 1968, blz. 156).
Dat ‘sprung rhythm’ vereist een vaste hand. Je zou ook kunnen zeggen dat het ritme (en hier bovendien het ongedwongen rijm) voorzichtig tussen de regels door schemeren en bijna onmerkbaar, zoals dat past in dit gedicht, het gedicht in de gewenste richting sturen. Daar zou veel meer over te zeggen zijn, bijvoorbeeld dat het een herstel van de poëzie impliceert en de daarbij te volgen richting aangeeft, nadat de poëzie in onze voortvarende stad in de jaren ’60 werd afgeschaft (Gard Sivik, de Nieuwe Stijl), maar dat laat ik nu maar even achterwege. Als ik u voorlopig maar heb duidelijk gemaakt dat naar mijn smaak het kenmerk van de beste gedichten van Rien Vroegindeweij - en waar praat je anders over in gezelschap van de dichter? - hun bedrieglijke eenvoud is.
Over die bedrieglijke eenvoud van de beste gedichten van Rien Vroegindeweij nu tot slot nog één en ander.
Een kleine omweg wilt u mij daarbij wel vergeven.
In een studie uit de jaren ’30, getiteld The use of poetry and the use of criticism - mijn exemplaar van het boek, uit 1964, afkomstig uit de mede door Rien Vroegindeweij opgerichte poëziewinkel W. Pieterse in Poëzie - stelt T.S. Eliot zich (en ons) de hamvraag wat nu wel in feite het nut (‘the use’) van poëzie mag zijn. Eliot vindt dat, in zekere zin - het komt er nu op aan om zeer precies te citeren - een nonsense-vraag, al was het alleen maar omdat op die vraag op verschillende moment in de tijd en in verschillende tradities zeer uiteenlopende antwoorden zijn gegeven, even uitstekend als tegenstrijdig - en wat dán nog? Maar, voegt Eliot er dan bijna terloops aan toe, er kan geen twijfel over bestaan dat het altijd in de bedoeling van de dichters heeft gelegen en ligt om hun publiek aangenaam bezig te houden: ‘to give pleasure, to entertain or divert people.’ En eigenlijk laat Eliot het daar dan verder bij.
Voor mij, en naar ik vermoed ook voor u, wij allen ten zeerste doordrongen van het feit dat poëzie een hoog ernstige zaak is, was en is dit toch wel even schrikken. Maar bekomen van de schrik, en toen ik er nog eens goed over had nagedacht, leek me dit toch wel een juiste beschrijving, en naar ik vermoed de enige juiste, van ‘the use of poetry’: het nut, maar ook het gebruik, van poëzie - ’to give pleasure, to entertain or divert people.’
En dan nodig ik u nu uit om eens te horen hoe Rien Vroegindeweij dat aanpakt. Vergeet u nu even met mij alles wat ik of u nog zou kunnen opmerken over zaken als alliteratie, verborgen metrum, binnenrijm, assonantie, of wat dies meer zij. Dit alles is overigens in ruime mate aanwezig in de gedichten, maar zeer onnadrukkelijk, en als u goed luistert is dat het juist, dat bijna ongrijpbare, waardoor eens zo nadrukkelijk de vertrouwde woorden opnieuw betekenis of een nieuwe betekenis krijgen, en daar gaat het om in deze poëzie. En in dé poëzie. Niet meer. Niet minder.
Ik koos drie korte gedichten uit de laatste bundel Gemengde Berichten (Nieuw Amsterdam Uitgevers 2006) die volgens mij indicatief zijn voor het oeuvre van Rien Vroegindeweij in de breedte. In mijn exemplaar heeft Rien voor mij voorin geschreven: ‘Het leven: / Een gedicht is een / houtjetouwtje jas / die niet van jou is / zo is het, en niet anders.’ En zo is het.
Drie gedichten.
Ik koos het eerste gedicht (bladzijde. 35) omdat het een gebeurtenis beschrijft die wij beiden ongeveer een halve eeuw terug op precies dezelfde wijze hebben meegemaakt tijdens de Watersnood van 1953. Vader die op de eerste verdieping met een latje, van traptrede naar traptrede opgetild, bekijkt hoe hoog het water inmiddels staat. Rien in Middelharnis, ik in Zierikzee. Rien was toen acht -, ik elf jaar; ik was altijd al wat ouder dan meneer.
(Toen de dijken braken, III)
De jongen wachtte op de dingen die komen zouden.
Zijn vader zette de kachel op tafel, zijn moeder
bracht de huisraad naar boven. Toen begon het wachten.
Het wachten op het water. Het kwam als een groot grijs
monster dat zich breed uitrolde over het bouwterrein
over het braakland naar het huis waar hij woonde.
Hij hoorde de kelder vollopen, de deuren kraakten
het monster steeg hoger en hoger, kwam de trap op.
Hij was bang. Zijn vader mat hoe hoog het kwam.
Dan het gedicht op bladzijde 7, waarmee de bundel opent.
(Waarheid)
In de keizerrijken van het oude China
stond de waarheid onomstotelijk vast.
Iedereen werd geacht haar te kennen
en geen fratsen met haar uit te halen.
Dichters die aan haar wetten tornden
werden van het hof verbannen
naar verre en eenzame gebieden
waar de mooiste poëzie werd geschreven.
Tenslotte het naar mijn smaak mooiste gedicht uit de bundel (bladzijde 11).
(Na de piep)
Als je belt vanmiddag kan het zijn
dat ik je niet hoor dat ik achter ben.
We brengen de laatste dagen van de zomer door
de bloem wordt bleek, het blad verkleurt.
Zo draait het wiel de hemel door
bereikt de heg, draait naar het punt
waar het verder moet, maait hier en daar wat weg.
Een late roos bloeit ongenadig op.
Als je belt kan het zijn dat ik achter ben
dat ik je niet hoor dat ik bezig ben
spreek een boodschap in, zeg wat je zeggen wilt
ik bel terug, jazeker, ik bel terug.
Dames en heren, van de schilder Delacroix de volgende uitspraak: ‘Wanneer men twintig is, en dichter, dan is men twintig; maar wanneer men veertig is, en dichter, dan is men een dichter.’ Rien Vroegindeweij is van 1944 en heeft een groot aantal gedichten geschreven die mij, en ik hoop u ook, zeer veel plezier hebben bezorgd; en de rest mag u erbij verzinnen.
PB
Rotterdam 10-14/11/07
3 december 2007
Dinsdagblues (SC/2)

- Soms hoor je beweren dat de populariteit van onze beroemdste dichter hier te stede is afgenomen. Hoe men dat weet en meet weet ik niet. Zelf zegt hij dat die juist flink is toegenomen door het sterspotje voor een wasmiddel dat zwarte kleren zwart houdt. We stonden voor boekhandel Van Gennep te praten. Over alles wat ons te binnen schoot, over pakken bij voorbeeld, dat het zijne 3900 euro had gekost. Niet om mij de ogen uit te steken, maar om een loflied op de Italiaanse kleermakerij te houden, perfect gesneden, dat kan je wel zien. Hij vroeg niet wat mijn jas of broek had gekost, want dat kon je zo ook wel zien. Er kwam een vrouw in een leren jack langs, ze vroeg of ze zijn handtekening mocht. Jazeker, waar, o hier. Ze hield hem een agenda voor. Ze liep verder en wij kletsten weer, over het ontstaan van het alfabet, de schoonheid van Italiaanse steden, over de poëzie en over de nieuwe mandarijnen (op zwavelzuur). Even later bleef er weer een vrouw bij ons stil staan. Deze met een leren jack over haar arm. Ze vroeg of hij zijn gedicht Blues on Tuesday nog kon herinneren, want daar knapte ze altijd heel erg van op als ze down was. Moet je net aan hem vragen. Hij kent elke regel die hij geschreven heeft uit zijn hoofd. En wat het kostte als hij het voor haar opschreef. Niemand had een pen bij zich, maar de boekhandel bracht uitkomst. Ze gaf hem een zoen en verdween. We moesten er allebei om lachen. Ik vroeg of dat nou dezelfde vrouw was als de eerste. Nee! Dat waren twee verschillende vrouwen. Maar ik geloof toch dat het één vrouw was, eerst met een leren jack aan en toen met een leren jack over haar arm. Ik heb geen ervaring met populariteit, maar als zij meetbaar is moet je haar naar boven afronden. We gingen ieder ons weegs. Het was een aangenaam en onderhoudend gesprek. (SC/02– 220507)
28 november 2007
Dia de paga
Gelezen op de website van de Spaanse uitgeverij Paidós over Groene vrijdag (Dia de paga) van Elvin Post «Día de paga es más que un thriller en que el crimen ocupa un papel crucial. También es un cuadro costumbrista de principios del siglo XXI. La sólida estructura y la aguda observación de los personajes dibujan con nitidez Nueva York y la forma de vida americana» RIEN VROEGINDEWEIJ, Rotterdam Magazine
25 november 2007
Licht in Rotterdam
Op zaterdag 18 november 2007 werd op het Noordereiland in Rotterdam een plaquette onthuld ter herinnering aan de Russische elektriciteitspionier Achilles de Khotinsky (1850-1933). Het is overigens de tweede plaquette; de eerste uit 1992 ging door sloop en nieuwbouw verloren. Plaats van handeling: een hoek van het appartementencomplex Noorderlicht, naast de Willemsbrug. Op die plaats vestigde De Khotinsky in 1883 de N.V. Elektriciteits-Maatschappij Systeem 'de Khotinsky' - en opende daarmee de eerste accu- en gloeilampenfabriek in Nederland. Acht jaar later begon Gerard Philips met de fabricage van gloeilampen in Eindhoven.
Achilles de Khotinsky was zijn loopbaan begonnen bij de Russische marine. Hij ontwierp een zoeklicht, zodat de vijand ook 's nachts kon worden bestookt, en elektrische ontstekingen voor torpedo's en mijnen In dat laatste was hij zo bedreven, dat hij beschuldigd werd van de bomaanslag op tsaar Alexander II in 1881. Maar toen zat de Khotinsky al in Parijs waar hij aandacht voor zijn lamp trachtte te krijgen. In Londen werkte hij voor de gloeilampenfabriek Alexander Bernstein. Maar de mogelijkheden voor een eigen bedrijf werden hem geboden door de koffiehandelaar Wilhelm Schöffer, die hem naar Rotterdam haalde.
Het Systeem 'de Khotinsky' behelsde een lamp die werd gevoed door een accu. Wie zijn huis of winkel wilde verlichten kreeg als het ware zijn eigen centrale in huis. Tegen het vallen van de avond werden een aantal accu's met een bootje naar de overkant van de Nieuwe Maas gebracht, waar ze werden aangesloten op een draad die de pakhuizen aan de Wijnhaven verbond. Bij stormachtig weer klotste het accuzuur zodanig in de open bakken dat ze na enige tijd mankementen gingen vertonen. De Kothinsky vroeg de gemeente kabels te mogen aanleggen naar vier te plaatsen 'accustations', verspreid over het stadscentrum.
De gemeente, die kort daarvoor de exploitatie van gas ter hand had genomen, voelde er niets voor om een geduchte concurrent als elektriciteit in het zadel te helpen. In het bijzonder van de directeur van Gemeentewerken, G. J. de Jongh, bijgenaamd 'brutale Gerrit', die een eeuw later nog enige tijd in de herinnering voortleefde als naamgever van het Red Ligths District van Rotterdam, ondervond De Khotinsky veel tegenwerking. Particulier initiatief werd minder op prijs gesteld dan men in de handels- en havenstad zou verwachten.
In het laatste kwart van de negentiende eeuw was elektriciteit wat internet voor de laatste decennia van de twintigste eeuw betekende. Op verschillende plaatsen in de Westerse wereld werden uitvindingen gedaan en toepassingen bedacht, in de grote steden werden elektriciteitscentrales opgericht. De ontwikkeling van de techniek ging razendsnel, uitvinders en pioniers liepen elkaar bij wijze van spreken voor de voeten, investeerders werden rijkelijk beloond of verloren hun geld omdat de ene uitvinding de andere overbodig maakte.
In 1882 opende Thomas A. Edison een centrale in New York. Zijn activiteiten breidden zich al snel uit naar Europa en via de Compagnie Continentale Edison in Parijs werd Nederland vertegenwoordigd door de NV Nederlandsche Electriciteitsmaatschappij (NEM). Deze was in Amsterdam gevestigd maar opende aan de Baan in Rotterdam de eerste Nederlandse centrale. Daarmee werden het Grandcafé du Passage, een sigarenzaak, een chocolaterie en een handel in 'parapluiën' verlicht.
De uitvinding van de gloeilamp is door velen opgeëist. Maar het was Edison die met patenten de concurrentie aftroefde. De lamp van Achilles de Khotinsky was kwalitatief niet minder, maar voor een rendabele verspreiding was meer nodig dan een lamp en een accu.
Reeds in 1878 werd de Avenue de l' Opéra in Parijs verlicht. De stad Timişoara (in Oostenrijk-Hongarije, thans Roemenië) was in 1884 de eerste Europese stad met elektrische straatverlichting. De Khotinsky stelde noodgedwongen zijn grootse plannen voor de verlichting van Rotterdam bij en realiseerde nog een kleine centrale aan de Boompjes, die driehonderd lampen kon doen branden. Maar uiteindelijk vertrok hij uit Rotterdam om zijn carrière elders met meer succes voort te zetten. De kans dat Rotterdam de ‘lichtstad’ van Nederland had kunnen worden, was daarmee verkeken.
Meer informatie is te vinden op de website van beeldend kunstenaar en initiatiefnemer van de plaquette Harry Sengers http://www.khotinsky.nl/ en op http://www.jvdn.nl/van historicus en cartograaf dr. Jan van den Noort.
NRC Handelsblad / Achterpagina 15 november 2007
23 november 2007
Dames en heren,
(foto: Nino Purtskhvanidze) http://picasaweb.google.com/nino2806/AnnaBlamanPrijs2007?pli=1
Op de mededeling dat de Anna Blaman Prijs 2007 aan mij was toegekend, kwamen twee soorten reacties, of eigenlijk, twee soorten mensen die reageerden: de ene soort zei, gefeliciteerd en vroeg gelijk daarna: 'wat schuift het', de andere soort vroeg eerst 'wat schuift het' en was eventueel bereid er een felicitatie aan toe te voegen. Een enkeling dacht dat ik de prijs lang geleden al had gekregen en dat ik nu als het ware voor de tweede keer aan de beurt was.
De formele vraag van het Prins Bernhard Cultuurfonds was of ik de prijs wilde aanvaarden. Ik heb geen moment geaarzeld. Anna Blaman zelf weigerde in 1949 de Lucie B. en C.W. van der Hoogt Prijs, omdat de jury een voorbehoud had gemaakt over de literaire kwaliteit van haar werk. Dat was een moedige daad van Anna BLaman, en niet haar enige, want ze kon die 1000 gulden, daar in dat kamertje in het pension van haar moeder, in de De Vliegerstraat natuurlijk heel goed gebruiken. Misschien kon je er in die tijd wel een nieuwe motorfiets of op z'n minst een mooie motorjas voor kopen. Want dat deed ze graag: motor rijden in een lange leren motorjas.
Natuurlijk heb ik mij in de loop der jaren wel eens afgevraagd of die prijs nog eens mijn kant op zou komen. Objectief gezien voldeed ik aan de voorwaarden, al waren die niet altijd even duidelijk. Was het nu een aanmoedigingsprijs of een oeuvre prijs? Mijn vriend Leyn Leijnse, die vorig jaar overleed, kreeg de prijs al in 1969 voor een roman die op dat moment nog niet eens was verschenen. C.B. Vaandrager heeft er heel lang op moeten wachten, omdat hij over Anna Blaman had geschreven dat zij ontzettend aardig en ontzettend lelijk was, maar dat ze niet kon schrijven. Toen hij de prijs eindelijk kreeg, was het in de vorm van een stipendium dat hem in termijnen werd uitgekeerd omdat het toenmalige Anjerfonds bang was dat het hele bedrag van 10.000 gulden regelrecht naar een dealer zou gaan. En daarmee werd niet een dealer van motorfietsen bedoeld.
Er is door velen opgemerkt dat ik de Anna Blaman Prijs al veel eerder had moeten krijgen. Dat is aardig gezegd, maar je kan je eigen jury niet uitzoeken. Het heeft er misschien mee te maken dat ik nooit in de pas heb gelopen van het zogenaamde letterenbeleid in deze stad. Er was een tijd dat de Rotterdamse Letteren door een soort kultuurkamer op Oost-Duitse wijze werden bestuurd en bestierd. Er waren toen op elke dichter drie ambtenaren werkzaam.
Ondertussen begon ik tot de oudere generatie te behoren en het was de vraag of er nog een jury te vinden was die mijn kant op keek. Een jaar of negen geleden werd ik gebeld door een bestuurslid van het Anjerfonds met de vraag wie toch die dichter was aan wie de jury de prijs toen had toegekend. Het was duidelijk dat een jongere generatie aan de beurt was.
Ik sta, meen ik te kunnen zeggen, tamelijk stoïcijns in dit leven. Sommigen noemen het bescheidenheid, maar dat is het volgens mij niet. Ik hou bijvoorbeeld veel van de eeuwenoude Chinese poëzie waarin geduld en berusting in voortdurende strijd zijn met een verlangen naar het onbegrensde. Deze week heb ik een gedicht geschreven, en aan het graf gelezen, voor een mij onbekende meneer die afgelopen woensdagochtend, om 9.30 uur op de Algemene Begraafplaats in Crooswijk van de Sociale Dienst werd begraven, zonder de aanwezigheid van familie of vrienden. Dit als activiteit van de Stichting De Eenzame Uitvaart, waarvan ik een half jaar geleden de Rotterdamse afdeling heb opgericht. Een groter contrast met deze feestelijke middag is niet denkbaar.
Ik wil maar zeggen, de mens wikt, het lot beschikt.
Dames en heren, tot slot, mijn oren zijn niet erg gewend aan loftuitingen, ik heb dus ook weinig ervaring met dankwoorden. Maar ik zeg het zo:
Ik dank u allen dat u gekomen bent, ik dank het bestuur van het Prins Bernhard Cultuurfonds Zuid-Holland voor het samenstellen van deze jury. Ik dank de jury voor haar wijze besluit. Ik dank iedereen die aan deze middag heeft bijdragen, die dit feestje mogelijk heeft gemaakt, die heeft gesproken, gezongen of gespeeld. En zonder bescheidenheid dank ik ook mezelf een beetje, want ik denk dat het goed is voor de Anna Blaman Prijs dat die aan mij is toegekend. Het is tijd op het glas te heffen.
6 november 2007
Bloemlezing
Geachte heer Uitgever,
Bij deze geef ik U
de gevraagde toestemming
voor het opnemen
van mijn gedicht
in de door U beoogde
bloemlezing.
Dienaangaande heb ik de beheerder
van mijn bankrekening gevraagd
om plaats te maken voor het storten
van het bedrag van € 11,80.
Gaarne zie ik t.z.t.
een bewijsexemplaar tegemoet.
Met vriendelijke groet,
Abonneren op:
Posts (Atom)