10 oktober 2005

Kikker of prins



Op de website van The Knot (weddings.theknot.com) wordt het huwelijk aangekondigd van Arlyn Kvares en Pablo van Dijk. Over de bruidegom dadelijk, maar eerst de bruid. Ze stelt zich voor met die mengeling van naïviteit en optimisme waarmee geloof ik alleen Amerikanen zowel in het huwelijk kunnen treden als oorlog voeren.
Arlyn is bezigheidstherapeut, gespecialiseerd in kindergeneeskunde. Haar hobby’s’ zijn schrijven en ‘comedy’. Na twintig jaar van ‘dating’ begon ze de hoop te verliezen ooit nog een partner te vinden waarmee ze verder door het leven kon. Maar het wonder is geschied. Na vele kikkers te hebben gekust liep op haar 34e de ware prins haar leven binnen, een geluk dat ze nu graag met familie en vrienden wil delen.
Over haar aanstaande echtgenoot schrijft ze in een kennelijke staat van opwinding wat elke man zou wensen dat zijn verloofde de wereld over hem wil laten weten. Hij is de zeldzame schat, een meester in vele zaken en uiteraard de ware liefde van haar leven.
Het geluk begon vorig jaar op een Halloween feestje, waar hij als clown verkleed was en zij als de blonde Felicity Shagwell uit de Austin Powers films. Op haar onthulling dat zij niet echt een blondine was, antwoordde de clown: “It doesn’t matter. You’re my new wife.” Drie dagen later deed hij haar een huwelijksaanzoek en sindsdien woont het paar samen in “the one and only Gotham City of Manhattan”, in dit bijzondere geval wellicht te vertalen met in de Zevende Hemel.
Op de foto waarmee de Wedding Webpage opent zien we inderdaad een stralende Arlyn. Naast haar een man van middelbare leeftijd met een grijze lok in het haar en een clowneske uitdrukking op zijn gezicht, alsof het Halloween partijtje nog niet is afgelopen. Als zijn naam er niet bijgestaan had, zou ik in hem de slanke krullenbol van vijfentwintig jaar geleden niet hebben herkend.
In de jaren tachtig was Pablo van Dijk de meest spraakmakende uitgever en galeriehouder van Rotterdam. Een jongeman met een innemende verschijning en een dadendrang die het door bezadigde kunstambtenaren beheerste kunstwereldje op zijn kop en vaak ook naar zijn hand wist te zetten. Toen hij zijn zinnen had gezet om een oud herenhuis aan de Westersingel tot galerie te verbouwen, kreeg hij de Rotterdamse Kunststichting zover het hele jaarbudget voor de beeldende kunsten daaraan te besteden.
Met zijn toen al tweede echtgenote Pandora Tabatabai Asbaghi vormde hij een paar dat als Rotterdam een grachtengordel had gehad zij daarin door velen bewonderd hadden kunnen spelevaren. Ze gaven prachtige boeken van schrijvers en kunstenaars uit, bibliofiele uitgaven van het genre nieuw antiek, waarin overigens niet zelden enorme drukfouten voorkwamen. Maar die werden vergeven door de unieke vormgeving. In hun galerie Bébert, genoemd naar de kat van Louis Ferninand Céline, toonden zij de nieuwste moderne kunst.
Dat zette bij de locale kunstenaars die door het paar niet goed genoeg werden bevonden kwaad bloed en maakte boze tongen los. Met Rotterdamse nuchterheid vroeg men zich af; “Waar doen ze het van?” In de locale mythevorming rond het paar ontstond het verhaal dat Pandora een Perzische prinses van grote rijkdom was, anderen beweerden haar nog achter de kassa bij de Hema te hebben gezien.
Maar ineens was het sprookje over en uit. Ik herinner me nog de schok die over de culturele as van Rotterdam ging toen het bericht de ronde deed dat Pablo er met een Amerikaanse van door was. In de jaren daarna hoorden en lazen we (o.a. van Arnon Grunberg) van zijn praktijken in de Newse Yorkse kunsthandel die niet altijd tot ieders tevredenheid werden afgehandeld.
New York-gangers kwamen thuis met verhalen over de vrouwen die om de zoveel jaar met een verpletterend “It doesn’t matter. Your my new wife.” werden veroverd. Op afstand hoop ik voor de mij onbekende Arlyn Kvares dat haar prins toch niet een kikker blijkt te zijn.


Rotterdam PuntUit, oktober 2005 © Rien Vroegindeweij

1 oktober 2005

In alles is een oogopslag


Van Oldenbarneveltstraat 121

Op een mooie zomerdag heb ik op verzoek van de Gemeentebibliotheek een literaire wandeling door het centrum van Rotterdam geleid. Een tocht door een imaginair museum, want juist het centrum is het gebied waar niets meer over is van de plaatsen waar schrijvers en dichters, of de personages die zij hebben geschapen, hebben geleefd, gewoond en gewerkt. Dat heeft niet alleen te maken met het grote bombardement van 14 mei 1940, al lang voor die tijd was er al veel van de oude, historische stad verdwenen.
Anders dan bijvoorbeeld Frits Abrahams die onlangs op deze pagina de Amsterdamse gangen van de Haagse schrijver F. Bordewijk beschreef, zou een tocht langs de plaatsen en adressen die in Bordewijks beroemde Rotterdamse roman Karakter een belangrijke rol spelen niet zijn te verwezenlijken. Ook de Handelsschool aan het Van Alkemadeplein waar Bordewijk les in handelsrecht gaf en waar hij zijn roman Bint zou lokaliseren, bestaan beide, school en plein, niet meer.
En hoe roep je in de zondagse drukte van Koopgoot en Coolsingel het beeld op van dr. J. H. Leopold (1865-1925), dichter en leraar klassieke talen aan het Erasmiaans Gymnasium, dat ongeveer op de plek was gevestigd waar nu de groene reuzenflacon van het World Trade Center staat? Het zou mooi zijn geweest als we een glas bier hadden kunnen drinken in het café waar hij vrijwel dagelijks ‘s avonds op slag van elven zijn goede vriend en collega Kronenberg ontmoette. Of tot besluit van de wandeling iets te nuttigen in restaurant Martinot aan de Nieuwe Binnenweg, waar ze jaren lang gezamenlijk de maaltijd gebruikten en dat ten slotte het toneel werd van een tragikomische voorstelling toen ze elk aan een andere tafel met de rug naar elkaar toe zaten.
Over Leopold is veel geschreven, zowel over de dichter als over de classicus. Persoonlijke herinneringen van collega’s en leerlingen getuigen van zijn grote gaven en betrokkenheid als leraar, zijn eruditie, zijn sportiviteit en zijn gevoel voor humor. Maar alle verhalen eindigen in de mineur over de laatste jaren van zijn leven. Tijdgenoten hebben hem in die tijd beschreven als een in zichzelf gekeerde man, die wandelend op het Van Hoogendorpplein (thans Churchillplein) zich achter een krant verschool als er een bekende aankwam.
Nadat hij was gepasseerd voor verschillende functies, waarvoor hij op grond van zijn verdiensten en anciënniteit in aanmerking kwam, ontstond er verwijdering van het lerarencorps en naar mate hij last kreeg van een toenemende doofheid werd hem ook de omgang met leerlingen tot een kwellende last. Vriendschappen werden zonder opgaaf van reden beëindigd.
In september 1924 diende hij om gezondheidsredenen een verzoek tot ontslag in van het Erasmiaans Gymnasium, waar hij sinds 1891 werkzaam was geweest.
Het ontslag werd hem in de Raadszitting van 7 augustus eervol verleend waarbij men beleefdheidshalve niet vergat zijn grote verdiensten voor het gymnasium te prijzen. Nog geen jaar later, op 21 juni 1925, overleed hij kort na zijn zestigste verjaardag aan pleuritis in huurkamer in de Van Oldenbarneveltstraat.
Er zijn meer plaatsen in Rotterdam die aan Leopold herinneren. Na zijn dood schonken de erven een groot deel van zijn boekenbezit aan de Gemeentebibliotheek. De circa duizend boeken werden aanvankelijk verspreid over de algemene uitleencollectie. Maar in de jaren tachtig zijn ze door de conservatrice van de Bijzondere Collecties (w.o. Erasmus en de librije van de Laurenskerk) als de Leopoldcollectie bijeengebracht en worden ze in zuurvrije dozen en een geklimatiseerde afdeling bewaard.
Heel lang heeft in het rosarium achter museum Boijmans van Beuningen een muurtje gestaan waarop zijn portret in bronzen bas-reliëf, gemaakt door Charlotte van Pallandt, en een kwatrijn waarvan de interpunctie niet helemaal overeenstemt met de teksteditie. Het staat nu bij de ingang van het huidige Erasmiaans Gymnasium, waar tevens de regel zie, zie, wat mag er achter zijn? in neon is aangebracht. Ook aan de gevel van een restaurant in de Witte de Withstraat staat in neon een regel: in alles is een oogopslag.
En als door een wonder is op de brandgrens van het verwoestende bombardement het deel van de straat gespaard gebleven, waar hij vrijwel zijn hele werkzame leven op een gemeubileerde kamer heeft gewoond. Honderdveertig jaar geleden geboren, tachtig jaar geleden overleden. Een bescheiden herdenking zou op zijn plaats zijn geweest. Bijvoorbeeld door op nummer 121 in de Van Oldenbarneveltstraat een plaquette te bevestigen met de inscriptie dat hier een van de grootste dichters van Nederland heeft gewoond.

Achterpagina NRC Handelsblad (enigszins gewijzigd 30-9-2005) © Rien Vroegindeweij

24 september 2005

Rampenplan


Uit de reconstructie van de watersnood van 1953, die journalist Kees Slager in zijn lijvige boek ‘De ramp’ beschrijft, kunnen we concluderen dat niet de onberekenbare kracht van de natuur, maar de zwakte van het bestuur voor de grootste ellende heeft gezorgd. Zwakte die zich uitte in hooghartigheid. Het was vaak het nederige woord van de mannen van de polders, boeren, landarbeiders en dijkbewoners tegen de vermeende deskundigheid van dijkgraven, burgemeesters en waterbouwkundigen.
De overheid was lang van te voren gewaarschuwd voor de belabberde staat waarin waterkeringen verkeerden, lokale autoriteiten werd gewezen op de ondeugdelijkheid van de ‘coupures’. Een coupure is een opening in een dijk die bij hoog water met vloedplanken wordt afgesloten. Maar toen de nood het hoogst was waren op veel plaatsen de planken niet te vinden of zodanig verrot dat het water er gemakkelijk door heen stroomde.
In de nacht van zaterdag op zondag 1 februari stonden op verschillende plaatsen in de delta van Rijn, Maas en Schelde mannen op een dijk, bij een gemaal of een sluis te kijken wat het water deed. Ze zagen het ergste aankomen. Maar om de noodklok te luiden was toestemming van de burgemeester nodig. Er zijn gevallen bekend dat men de man niet durfde te storen omdat hij zijn bridgeavondje had of lag te slapen. Of als de toestemming was gegeven er geen klokkentouw was omdat de toren van een elektrische luidinstallatie was voorzien waar je niets mee kan als de stroom is uitgevallen.
De vraag of een overstroming zoals in New Orleans zich ook in Nederland kan voordoen, werd in NRC Handelsblad van donderdag 15 september door verschillende waterbouwkundigen beantwoord. Waterbeheerders van het ministerie van Verkeer en Waterstaat achten de kans erg klein omdat het beveiligingsniveau hier vele malen hoger is dan in New Orleans en wij geen tropische orkanen kennen.
Wie zal het weten. Er zwemmen nu al exotische warmwater vissen in de Noordzee, dus het zou zomaar kunnen dat een verdwaalde orkaan zijn oog daarop laat vallen. Bovendien, alle hoogleraren, watermanagers en voorzitters die zich met de waterhuishouding en rampenbestrijding bezighouden zijn het er over eens dat die kans wel degelijk bestaat.
In 1953 was de OBHW (Officier Belast met Hulp bij Watersnood) niet geabonneerd op berichtgeving van de Stormvloedwaarschuwingsdienst van het KNMI, zodat er geen maatregelen voor hulp werden getroffen. Instanties die dat wel waren, zoals Rijkswaterstaat, werden per telegram tot de hoogste paraatheid gewaarschuwd. Maar ze deden er niets mee. Ook nu blijken de rampenplannen niet te deugen en de verschillende diensten niet op elkaar te zijn afgestemd. .
Als kind heb ik de watersnood van 1953 meegemaakt. Ik herinner me nog goed dat onze evacuatie werd aangekondigd door de dorpsomroeper die in een roeiboot door onze straat voer. Maar de evacuatie van toen was een oefening vergeleken bij wat ons mogelijk te wachten staat als de dijkring met Rotterdam en Den Haag binnen één etmaal volloopt met water en er twee miljoen mensen geëvacueerd moeten worden. .
Ik stel het me voor. Drie, vier meter water in de straten van Rotterdam, met zijn vele muziekfestivals en zijn grote arme bevolkingsgroepen toch een beetje het New Orleans van de Lage landen. We zullen er snel bij moeten zijn, want we wonen op een beletage, dus met souterrain, dat nu al bij de geringste wolkbreuk onder loopt.
Waar moeten we heen? Ik besef nu dat ik slechts één bevriend echtpaar ken dat veertien hoog in een wolkenkrabber in het centrum van de stad woont. Maar die hebben kinderen en kleinkinderen, daar zal voor ons geen plaats zijn. Ik herinner me spontaan een oude tante die in een bejaardenwoning ergens op de Hoge Veluwe woont. Die zal ons zien aankomen. Als we dan al niet in de file vóór de Utrechtse Heuvelrug door het water zijn ingehaald.

© Rien Vroegindeweij

15 september 2005

Afschrijven

Uit de kast met ‘afgeschreven’ boeken van de Gemeentebibliotheek in mijn woonplaats kocht ik voor één euro Ruisend gruis, de laatste roman van W. F. Hermans (1921-1995). Het boekje van amper honderd bladzijden dat in het sterfjaar van de schrijver door De Bezige Bij werd uitgegeven, behoorde oorspronkelijk tot de collectie van het filiaal in IJsselmonde. Maar daar had het kennelijk weinig lezers gevonden, want op het schutblad stond in bleek stempelinkt dat het was ‘afgeschreven door de Gemeentebibliotheek Rotterdam’.
In tegenstelling tot wat ik altijd heb gedacht, hebben de bibliotheken in Nederland, behalve de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, geen bewaarfunctie. Boeken waarvan de bibliothecarissen het vermoeden hebben dat ze niet zullen worden uitgeleend, worden ook niet of nauwelijks meer door de Stichting Bibliotheekdienst ingekocht. Zo kan het voorkomen dat van het educatieve kinderboek ‘Jantje leert op het potje zitten’ vijfhonderd exemplaren werden besteld, terwijl de uitgever van de prachtig verzorgde ‘De correspondentie van Desiderius Erasmus’ een bestelling van elf exemplaren voor alle bibliotheken in Nederland kreeg geplaatst.
Uit de bestaande collecties worden de boeken die geen leners vinden na verloop van tijd opgeruimd en te koop aangeboden om fysiek en financieel plaats te maken voor nieuwe boeken en in toenemende mate voor audiovisuele producten. Of voor lampenkappen.
Want mijn bibliotheek mag dan klagen over gebrek aan ruimte en geld voor opslag en uitbreiding van de collectie, vijf jaar geleden was er ruimte en geld genoeg om alle zes verdiepingen vol te hangen met enorme witte lampenkappen. Niet zomaar ergens eentje voor in een hoekje met een boekje, maar echt tientallen naast elkaar. Een hemel van lampenkappen, model schemerlamp, conisch gevormd, breedste doorsnee één meter. Je ziet ze wel in de villa’s van Kralingen en Hillegersberg waar ze bij het intreden van de schemering een tot inbraak uitnodigend licht laten vallen op de Friese staartklok en andere kostbaarheden.
Ik heb het vermoeden dat ze niet zijn opgehangen voor een optimale verlichting, maar voor de vormgeving. Zoals bij elke ‘noodlijdende’ overheidsdienst werd ook hier de eerste nood gelenigd met een interne verbouwing, op z’n minst een nieuwe balie, nieuw briefpapier, kortom, een nieuwe huisstijl. Ondertussen moeten er heel wat boeken worden afgeschreven om de lampenkappen af te schrijven.
Overigens is afschrijven de trend in boekenland. Het schijnt dat Jan de Slegte al op de Frankfurter Buchmesse onderhandelingen voert met Nederlandse uitgevers over welke boeken rijp zijn voor de ramsj, terwijl ze nog moeten verschijnen. In het grote boekenpaleis van Donner aan de Lijnbaan in Rotterdam wordt regelmatig omgeroepen dat er op ramsjafdeling licht beschadigde boeken voor de helft van de prijs worden aangeboden. De beschadiging bestaat uit niet meer dan een viltstiftstreepje dat de boekhandelaar zelf op de snijkant van het boek heeft gezet. Kwestie van afschrijven.
Het zijn geen boeken die jaren lang in de kast staan te verstoffen, geen winkeldochters, maar nieuwe boeken die soms niet ouder dan een half jaar zijn. De oplettende koper doet er zijn voordeel mee, want hetzelfde boek ligt nog onbeschadigd en voor de volle prijs op een andere afdeling. Het zal bibliofielen een gruwel zijn, maar van die viltstiftstreep op de snijkant zie je helemaal niets als het thuis in de kast staat.
De schrijver schrijft, de boekhouder schrijft af. Met de bedrieglijk lage europrijs, is het kopen van een boek een bezigheid geworden waarvoor enige vakkennis vereist is. Nu de najaarsaanbiedingen binnenkomen, is het afwachten welke titels binnen afzienbare tijd een beschadiging zullen oplopen.

Achterpagina NRC Handelsblad (15-9-2005) © Rien Vroegindeweij

24 augustus 2005

Westelijk Handelsterrein, Rotterdam
de stad klopt / in schaal 1:1 / van verlangen / haar te delen

22 augustus 2005

De val


Kaunertal Blick nach Feichten

In het gedicht 'Hoogere Burger School', uit de bundel Dag en Nacht Geopend (1970) beschrijft Jules Deelder enkele herinneringen aan zijn middelbare schooltijd op de Willem de Zwijger HBS in Rotterdam. Het is eind jaren vijftig, er zijn “feestjes met rood crêpe- / papier en meisjes uit 3c. // Loes, Irene, Riet en Coby. / Naaien deden ze nog niet. / (Dat kwam pas in de vierde.)”
In nuchtere, soms hilarische mededelingen wordt de sfeer van de schooltijd opgeroepen. De dichter in spe draagt blauwe suède schoenen, waar de directeur van de school wat op aan te merken heeft. “We schreven 1959, en natuurlijk / stond ook toen / het Eind der Dingen vast.” Het gedicht eindigt met de berichten die de leerlingen soms bereikten over “een bleke zittenblijver / die zich verhangen had, // of in de nabijheid van / een Oostenrijks gehucht / was doodgevallen.”
Een realistisch gedicht waar meer Dichtung und Wahrheit in zit dan de eerste lezing prijsgeeft. Het gedicht is er niet minder om, want dat kent zijn eigen tijdrekening, maar op tenminste één punt loopt het niet helemaal synchroon met de historische werkelijkheid. Bij de uitreiking van de diploma’s in 1962 werden de twee beste leerlingen van hun jaar naar voren geroepen om de bijzondere felicitaties in ontvangst te nemen. Voor de A-klas was dat Jules Anton Deelder, voor de B-klas Wim de Reuver.
Twee briljante leerlingen voor wie een gouden toekomst in het verschiet lag. Deelder werd wat hij op zijn veertiende al op een visitekaartje had laten drukken: dichter. Wim de Reuver ging in Delft natuurkunde studeren, maar stapte na een jaar over op bouwkunde. Hij richtte een band op, tekende en schreef gedichten die anoniem in de almanak van de Delftse Studenten Bond werden afgedrukt. Twee jaar nadat hij de middelbare school had verlaten, op 26 augustus 1964, kwam hij tijdens een vakantie ‘in de nabijheid van een Oostenrijks gehucht’ om het leven.
Zijn twee jaar jongere zus Marianne herinnert zich de laatste dag dat ze haar broer zag. “Hij was naar Rotterdam gekomen om gedag te zeggen. Het was mooi weer, dus we gingen nog even de stad in. Naar café ’t Fust en daarna naar De Wieck, een disco die toen erg in was. We kwamen heel laat thuis, tot grote woede van mijn vader.
“De volgende dag ging Wim met twee vrienden naar Oostenrijk en ik naar Kortenhoef, waar ik in een jeugdherberg ging werken. Op 27 augustus werd ik daar gebeld door mijn vader die met een afgeknepen stemmetje vroeg of ik naar huis kon komen want mijn moeder had griep. Ik stond voor dertig man te koken, dus ik zei dat dat kon niet. Maar even later kwamen een oom en tante me halen. Er was iets ernstig met Wim, zeiden ze. Pas toen ik thuis was kreeg ik te horen wat er was gebeurd. Mijn wereld stortte in.”
Deze zomer reisde Marianne de Reuver naar Kauns in Tirol, de plek waar haar broer is omgekomen. Het noodlottige ongeval was in het bergdorp nog niet vergeten. Zij ontmoette een van de mannen die destijds aan de zoektocht naar haar broer had deelgenomen. Gezamenlijk liepen ze het pad dat hij moest hebben gelopen.
Wim de Reuver was die ochtend vroeg opgestaan om nog voor het ontbijt een wandeling te maken, waarvan hij niet op tijd terugkeerde voor de tocht die ze die dag hadden gepland. Zijn vrienden lieten de boodschap achter dat ze niet voor de avond terug zouden zijn. Toen hij bij hun thuiskomst nog niet terug was, werd de politie ingeschakeld. De volgende dag, ’s middags om 14.30 uur, werd hij levenloos gevonden in de beek die zo’n zestig meter diep onderaan de Kaunerberg stroomde.
Aan de rand van het ravijn, op de plek waar Wim de Reuver moet zijn gevallen, ligt nu de kleine, witmarmeren steen die zijn zus uit Nederland had meegenomen en waarin zijn naam, geboorte- en sterfdatum is gehouwen.

Achterpagina NRC Handelsblad (19-8-2005) © Rien Vroegindeweij

27 juli 2005

Voorpost der beschaving


De Rotterdamse Bijenkorf van W.M. Dudok

Toen in 1957 de nieuwe vestiging van de Bijenkorf aan de Coolsingel in Rotterdam werd geopend, stond driehonderd meter verderop, aan het Van Hogendorpplein, de oude Bijenkorf klaar om te worden gesloopt. Dit gebouw, ontworpen door W.M. Dudok, was amper tien jaar oud toen het bij het bombardement van 14 mei 1940 flink werd getroffen, het gedeelte dat gespaard bleef had men opgekalefaterd en weer in gebruik genomen.
De Bijenkorf van Dudok werd alom geprezen als een van de mooiste gebouwen van de stad, een bouwwerk waarin ‘de levende, trillende gespannenheid van onzen nerveuzen tijd is gestold tot een broos-fijn, maar glashelder evenwicht dat tegenover het brute havengeweld zich handhaaft met de fijne, maar onwrikbare stelligheid van zijn geestelijke superioriteit’. Men vroeg zich af waarom het niet in zijn geheel werd hersteld. Maar helaas, het paste niet in het Basisplan Herbouw Binnenstad van ingenieur Van Traa. Dit plan behelsde naar Amerikaans voorbeeld de vorming van een binnenstad (city) als business center. Het verkeer kreeg er onbeperkt toegang door middel van ruime autowegen waarlangs de kantoren en bedrijven verrezen. Want er moest gewerrukt worden, wonen was minder belangrijk. Zo is de Coolsingel vermoedelijk de enige hoofdstraat van een stad ter wereld waar niemand woont.
De stedenbouwkundigen ontwierpen niet alleen een nieuwe stad naar het evangelie van Le Corbusier, waarin de functionaliteit de vorm bepaalde, ze sleutelden ook aan de vorming van de nieuwe mens. Ze hadden de pretentie ver in de toekomst te kunnen kijken. Het bleek al gauw dat ze in het koffiedik van hun opdrachtgevers hadden zitten turen. De stad kreeg het aanzien van een werkplek. Gezellig was anders.
Maar om het voor de oude en de nieuwe Rotterdammers niet helemaal onleefbaar te maken werd het idee van het Venster op de rivier nagestreefd, wat inhield dat de binnenstad zicht hield op de Nieuwe Maas en een open verbinding had met de zogenaamde groene wig en de woonwijken. En precies voor dat venster stond de oude Bijenkorf van Dudok.
In de nog goeddeels lege binnenstad was de nieuwe Bijenkorf van de architecten Breuer en Elzas meer dan een grote winkel, bijna een cultuurpaleis, ‘een voorpost der beschaving’, zoals Jules Deelder schreef. Tijdens de bouw, die drie jaar duurde, hadden de Rotterdammers nieuwsgierig door gaten in de schutting rondom de bouwput staan koekeloeren om te zien wat daar uit tevoorschijn zou komen. Overal in de binnenstad stonden schuttingen met gaten waar doorheen de permanente peepshow van de wederopbouw veel bekijks trok.
Uit deze put verrees een vrijwel gesloten doos van vier verdiepingen, bekleed met gevelplaten van travertijn. Spleetvormige vensters waren aangebracht om stoffen en soortgelijke koopwaar bij daglicht te kunnen beoordelen.
In die tijd had de directie van de Bijenkorf een gelukkige hand bij het kiezen van moderne kunst: zij had Rotterdam al zijn Zadkine geschonken, voor de nieuwe vestiging verrees een enorme sculptuur van Naum Gabo, terwijl in de vensterbank van de lunchroom een plastiek van Henry Moore werd geplaatst. Schrijvers kwamen naar Rotterdam om in de Bijenkorf uit hun werk voor te lezen. In ‘Vreemde verschijnselen’ vertelt Bob den Uyl over een lezing van W.F. Hermans, waarbij hij vooral onder de indruk was van de aanwezigheid van Willem Elsschot, die op de eerste rij zat. “Hij zag er wat slaperig uit; ik kreeg de indruk dat hij liever even de ogen had gesloten voor een verkwikkend slaapje, maar dit uit beleefdheid jegens Hermans naliet.”
Het publiek vergaapte zich aan de lumineuze etalages die door jonge, spraakmakende kunstenaars en leerlingen van de Academie van Beeldende Kunsten waren ingericht. Vaak liep ik er langs in de hoop het ‘academiemeisje’ aan het werk te zien dat van mijn stille verliefdheid nooit heeft geweten. In december 1970 was ik er als uitzendkracht chauffeur en vervoerde bevroren kalkoenen en fazanten van de vriesvemen in de haven naar de Coolsingel en vandaar naar de klanten. Tussen de ritten door was het mijn taak grote blikken olijven open te draaien en in roestvrij stalen bakken te storten, zodat ze onder een geraffineerde verlichting ‘los’ en duurder dan in blik konden worden verkocht.
De Bijenkorf was toen al lang niet meer een voorpost der beschaving, maar een van de vele warenhuizen in een stad waarvan de vorm het langzamerhand ging winnen van de functionaliteit.

NRC Handelsblad (Achterpagina) 4-7-2005 © Rien Vroegindeweij