13 september 2006

Berenbijten



In de theaters waar Shakespeare als schrijver, speler en regisseur zijn eigen stukken opvoerde, werd op andere avonden het zogenaamde ‘berenbijten’ beoefend. Hongerige honden werden in een arena op een weerloze beer los gelaten. Er was veel belangstelling voor. Het moet een gruwelijk schouwspel zijn geweest. Maar anno 2006 valt het zien van Richard III door het RO Theater in Rotterdamse Schouwburg ook niet mee. Op rij 17 was hoegenaamd niets te verstaan van wat op het toneel gezegd werd. Van een toeschouwer die vooraan zat hoorde ik dat hij ook niets had verstaan, zelfs niet met zijn gehoorapparaat. Veel verkleedpartijen en gehannes met klerenhangers. Maar de vele personages die in dat stuk voorkomen waren niet te onderscheiden omdat ze allemaal dezelfde soort kleren droegen. Toen Richard III een filtersigaret opstak, wilde ik onmiddellijk naar huis. Wat ik in de pauze ook heb gedaan. In de vele voorpublicaties las ik dat het allemaal hoogstaand en artistiek verantwoord was. Er was een topregisseur uit Duitsland voor gehaald. Maar het was Toneel dat zijn publiek minacht door middel van onzin en onverstaanbaarheid. En trouwens, waarom wilde deze Richard III zijn paard niet ruilen voor een koninkrijk? Of was dat door de beren gebeten…

5 september 2006

Gemengde berichten


Vrijdag 29 september 2006 van 19.30 - 21.00 uur feestelijke presentatie van Gemengde berichten bij Boekhandel v/h Van Gennep, Oude Binnenweg 131 b, Rotterdam (010 4330592 mail vgennep@xs4all.nl). U bent allen welkom!

15 augustus 2006

Zeemanshuis




Zeemanshuis Rotterdam/Maritime Hotel
(gebouw met v-vormige pyloon)

Met collega Jan Oudenaarden ben ik momenteel bezig met het samenstellen en schrijven van een boek over “150 jaar Zeemanshuis Rotterdam”. Historisch onderzoek leert dat het eerste Zeemanshuis, naar Londens voorbeeld, in 1856 werd geopend aan de Westerhaven, de tegenwoordige Calandstraat, die toen in verbinding stond met de Veerhaven en later werd gedempt.
Zeelieden werden, als ze geen officier waren, in die tijd volledig uitgebuit, niet alleen door de reders, maar ook door de zogenaamde ‘kadraaiers’ en ‘zielverkopers’, een soort koppelbazen, en door de logementhouders waar zij tijdens een verlof onderdak hadden gevonden en die met woekerwinsten voorschotten op hun gage verstrekten. De zeelieden die Hollands glorie op de wereldzeeën drijvend hielden en de geïnvesteerde kapitalen van de kooplieden veilig stelden, werden te land als het uitschot van de natie beschouwd of, om het zoals de destijds beroemde journalist J.M. Brusse beschaafder te zeggen, als “het bezinksel der grote stad”.
Het eerste jaarverslag uit 1857 van het Zeemanshuis aan de Westerhaven geeft een eerlijk, maar ontluisterend beeld van hoe men toen over de zeemam dacht: “Het is niet te ontveinzen, dat het Bestuur zijn taak met huivering aanvaard heeft. Van alle kanten toch deden zich ontmoedigende voorstellingen van verschillende aard hooren. De een was van oordeel, dat de matroos niet moest beschaafd worden; hij moest hetzelfde ruwe, half verdierlijkte wezen blijven om een goed zeeman te zijn. Een ander voorspelde, dat de matrozen onmogelijk er toe te brengen zouden zijn, in het Zeemanshuis hun intrek te nemen, daar zij na eene langdurige reis, aan wal de voorkeur zouden geven aan het vrije leven in hunne gewone logementen; boven de tucht en regel, waaraan zij vermeenden in het Zeemanshuis onderworpen te zijn. In verhouding tot het Londensche Zeemanshuis, mogt volgens de redenering van een derde, in het eerste jaar slechts op één gast gerekend worden.”
Het waren niet alleen christelijke of humanitaire motieven die tot de oprichting van een fatsoenlijke verblijfplaats voor zeelieden leidde. In de tweede helft van de 19e eeuw was de stoomvaart in opkomst. In 1873 werd bijvoorbeeld de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij opgericht, beter bekend als de Holland-Amerika Lijn.
Stoomschepen vroegen om beter opgeleid personeel. Wat overigens niet direct tot een verbetering van de positie van de bemanning leidde. In 1893 werd de Zeemansbond opgericht, ‘een vereniging op christelijken grondslag met als doel de Verheffing van den Nederlandschen Zeemansstand’. Onder verheffing werd verstaan ‘de geschiktheid voor het vak, geestesontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke positie van de zeeman.’ In 1903 werd het ‘Christelijk Tehuis voor Zeelieden’ aan de Veerhaven in gebruik genomen.
Hoewel Gods wateren woest en weids zijn en uit één element bestaan, vroegen verschillende godsdiensten om een eigen geestelijke bediening. In 1935 werd het Rooms-katholieke Zeemanshuis Stella Maris, van het Apostolaat ter Zee, aan de Willemskade geopend. In de jaren zestig van de vorige eeuw begon de Nederlandse Koopvaardij in toenemende mate goedkopere buitenlandse bemanning te werven. Het Nederlandse zeemansbestand liepen zodanig terug dat beide zeemanshuizen samen gingen in de nieuwe Stichting Zeemanshuis Rotterdam, waar later het Maritime Hotel aan toegevoegd werd, of beter gezegd, bovenop werd gebouwd.
Aan de geschiedenis van de zeemanshuizen is de ontwikkeling van Rotterdam als wereldhaven af te lezen. We hopen het boek in oktober te presenteren

Rotterdam Magazine PuntUit aug/sept 2006

16 juni 2006

Witte shit




Rotterdam is een stad van passanten – anonieme en beroemde passanten. Duizenden mensen zijn hier in de loop der tijden aan boord van een schip gestapt om het oude Europa voorgoed te verlaten. Emigranten en avonturiers.
Onder hen bijvoorbeeld de Franse dichter Arthur Rimbaud, die in 1876 met de Prins van Oranje naar Nederlands Indië ging. Twintig jaar later spoorde zijn oude vriend Paul Verlaine naar Willem Kloos in Amsterdam en zag vanuit de trein een stad met kalm aandoende daken, met vensters waar het leven rustig, zeker, goedig en sterk, zuiver en veilig blijkt, en door gordijnen ziet hoe onze daverende karavaan delirisch verder rijdt.
Lee Harvey Oswald schijnt een nacht in een hotel aan de Mathenesserlaan te hebben geslapen toen hij van Rusland op weg was naar Dallas om als de vermeende moordenaar van John F. Kennedy door Jack Ruby te worden doodgeschoten.
Sommigen passanten zijn langer gebleven dan ze van plan waren. Op de Crooswijkse begraafplaats liggen zowel de componist van het Tsjechische volkslied begraven als de leider van de Oekraïense verzetsbeweging, die in het interbellum in een restaurant op de Coolsingel door een kofferbom om het leven werd gebracht.
Een van de merkwaardigste kostgangers die korte tijd in Rotterdam heeft gebivakkeerd is misschien wel de Italiaanse avant-gardist Piero Manzoni. In 1961 vulde hij 90 conservenblikjes met telkens 30 gram van zijn eigen in Milaan gebakken fecaliën en bood ze als ‘Artist’s shit (made in Italy)’ te koop aan.
De kleine elite van de kunstkenners stond er destijds bij te smullen en wie behalve van kunst ook verstand van de kunstmarkt had, kocht zo’n blikje. Je kon het gewoon op de schoorsteen zetten, want je rook er niets aan. En als je er nu mee rammelt lijkt het of er een knikker in zit.
Ik ken tenminste één Rotterdammer die destijds zo’n blikje heeft gekocht of gekregen, want hij was met Manzoni bevriend. In ieder geval heeft hij later van de verkoop van 30 gram keiharde kouwe Milanese kak een boerderij kunnen kopen. Als de uitdrukking ‘geld stinkt niet’ op waarheid berust, dan is dit er het ultieme voorbeeld van.
In 1958 kwam Manzoni naar Rotterdam om een vriend uit Milaan, die hier bij een cargadoorsbedrijf werkte, te bezoeken. Er was een afspraak gemaakt dat hij zijn nieuwste werk in de foyer van de bioscoop Kriterion in het Groothandelsgebouw zou exposeren. De man die daar de galerie beheerde werd echter wit van woede toen Manzoni zijn werk liet zien: witte doeken, schilderijen waar niets op stond.
Over Manzoni is enige legendevorming ontstaan. Hij was zo dik dat hij er nauwelijks in gekund had, maar toch is hij regelmatig in een Fiat 500 in Rotterdam gesignaleerd. Volgens anderen kwam hij altijd met de trein. Legendarisch is ook het verhaal dat hij, samen met zijn Rotterdamse kunstenaarsvriend, een van de zeldzame moderne kunstkopers wilde bezoeken. Deze bleek met zijn gezin een dagje naar zee te zijn. Daar zijn ze toen heen gegaan en hebben ze de man, die op het zonovergoten strand van Rockanje lag, de nieuwe kleren van de keizer aangetrokken. Want zo’n deal moet natuurlijk wel met enige egards worden gesloten. Dat doe je niet in een zwembroek.

Rotterdam PuntUit Magazine - juni/juli 2006

8 juni 2006

De Voetbaloorlog van 1956

(bij de Opening WK Voetbal, Duitsland 2006)

We gingen naar Den Bommel op Flakkee
om te spelen tegen de junioren van B2,
op de fiets, we hadden windje mee,
achter de trainer, die op een brommer ree.

Het veld was op een land vol kluiten,
van krijt hadden ze nog nooit gehoord,
de scheids moest op een koehoorn fluiten.
Maar we hebben er toch elf gescoord.

Zelfs onze keeper maakte een doelpunt
met één lange trap van doel naar doel.
Aan hen werd slechts de nul gegund.

Over die partij is nog lang gesproken,
met leedvermaak en ook met haatgevoel,
want al onze banden waren lek gestoken.

2 juni 2006

Leopold in Leiden

Men zoekt zich en men raakt elkander kwijt,
men volgt met vreugde en ontvlucht in spijt,
men twist en ruziet en is ontevreden
en weer verzoend en alles zonder reden.


De dichter J.H. Leopold woonde tijdens zijn studie Klassieke Letteren in Leiden, van 1884 tot 1889 op het adres Kloksteeg 4. In dit pand is de Leidse vestiging van de Haagse juridische boekhandel Jongbloed gevestigd. Ter gelegenheid van het tachtigjarig jubileum van de boekhandel is in de gang van deze huiskamerachtige winkel een plaquette met bovenstaand kwatrijn aangebracht, die ik op donderdag 1 juni 2006 met een korte inleiding over 'Leopold in Rotterdam' heb mogen onthullen.