3 augustus 2007

Anna Blaman Prijs (4)

Persbericht van het Prins Bernhard Cultuurfonds

Anna Blaman Prijs Rotterdam 2007 voor Rien Vroegindeweij

Rotterdam, 19 juli 2007. De Anna Blaman Prijs voor literatuur van het Prins Bernhard Cultuurfonds Zuid-Holland is dit jaar toegekend aan de schrijver Rien Vroegindeweij.
De jury, bestaande uit Henk Mali (voorzitter), Giel van Strien, Maria Heiden, Sytske Sötemann en Vinod Bhagwandin, heeft met deze prijs de enorme bijdrage van deze dichter, prozaïst, theaterschrijver en columnist aan de literatuur willen bekronen.

Het werk van Rien Vroegindeweij is niet weg te denken uit de literaire en journalistieke wereld van de Maasstad. De jury benadrukt in haar rapport vooral de manier waarop Vroegindeweij Rotterdam heeft weten te vangen in zijn poëzie: “het ritme van de stad klinkt door in zijn teksten, en met zijn snelle reacties op actuele gebeurtenissen trapt hij op de staart van de Rotterdamse tijd.”

De Anna Blaman Prijs voor literatuur werd in 1965 door het Prins Bernhard Cultuurfonds Rotterdam ingesteld. De prijs is bestemd voor schrijvers of dichters die wonen en/of werken in het Rijnmondgebied en wordt elke drie jaar toegekend. In de tussenjaren worden respectievelijk de Hendrik Chabot Prijs voor beeldende kunst en de Elly Ameling Prijs voor muziek uitgereikt.

Mr. I.W. Opstelten, burgemeester van Rotterdam en voorzitter van het Prins Bernhard Cultuurfonds, zal de prijs op 16 november uitreiken in het stadhuis te Rotterdam.

Noot voor de redactie
Voor meer informatie over de prijs kunt u contact opnemen via het mailadres: Annablamanprijs2007@live.nl.
Meer informatie over Rien Vroegindeweij vindt u op www.vroegius.nl

29 juli 2007

Anna Blaman Prijs (3)

Na wat emails en telefoontjes te hebben gepleegd staat C.B. Vaandrager nu in de database van literaire prijzen van het Letterkundig Museum (www.letterkundigmuseum.nl). Wat de reden is waarom hij niet in de lijst werd opgenomen, is mij een raadsel, al heb ik mijn vermoedens. Hij kreeg de prijs in 1981.

24 juli 2007

Anna Blaman Prijs 2007 (2)


Vanaf 1966 (Adriaan van de Veen) wordt de Anna Blaman Prijs onder wisselende naamvoering uitgereikt aan auteurs die wonen en/of werken in of anderszins nauw verbonden zijn met Rotterdam. De eerste vier keer jaarlijks. In 1967 aan W.A. Wagener, in 1968 aan Bob den Uyl en in 1969 aan Leyn Leijnse, voor een roman die toen nog moest verschijnen. Daarna zit er lange tijd geen regelmaat meer in. In 1971 Herman Romer, in 1974 Jacobus P. Bos. Pas in 1981 kreeg C. B. Vaandrager de Anjerfonds-Blaman-prijs, zij het dat er de opdracht aan verbonden was de dichtbundel ‘Vleeswagen naar Parijs’ te voltooien. De bundel kwam nooit af. De prijs werd hem ceremonieel in de Burgerzaal van het Stadhuis uitgereikt, maar wordt in de lijst van prijswinnaars (Letterkundig Museum) niet genoemd. In 1988 kreeg J.A. Deelder de prijs en werd tevens aan Jaap Koopmans een kleine aanmoedigingsprijs toegekend. Vervolgens tweejaarlijks, 1990 Frank Koenegracht; 1992 J.W. Oerlemans, 1994 Jan Eijkelboom, 1996 Marcel Möring, 1998 Theo Verhaar. Aan de samenstelling van de verschillende jury’s is te zien dat de prijswinnaars een goede verstandhouding met de sectie Letteren van de Rotterdamse Kunststichting hadden. Nadat deze was opgeheven, heeft zij haar invloed op persoonlijke titel van haar eerste gepensioneerde geheimschrijver nog lange tijd doen gelden. Tegenwoordig wordt de prijs om de drie jaar toegekend. In 2001 aan Hester Knibbe en in 2004 aan Anne Vegter. In 2007 valt mij dus de eer te beurt. Ik ben er blij mee.

10 juli 2007

Anna Blaman-prijs 2007

Er komt nog een officieel persbericht, maar ik kan nu al mededelen dat de Anna Blaman-prijs 2007 aan mij is toegekend. De uitreiking zal in november plaatsvinden.

23 juni 2007




Rotterdam Rome vice versa

Ik heb het lang tegen kunnen houden, maar uiteindelijk moest het er toch een keer van komen om een georganiseerde reis te maken. Het reisbureau had onder andere de high lights van Italië in de aanbieding. Een zevendaagse reis naar de steden van Toscane plus een bezoek aan Rome.

De vlucht van Zestienhoven naar de Da Vinci Airport nabij Rome duurde aanmerkelijk korter dan de busreis naar ons hotel in een overigens prachtig dorp aan de Thyreense zee, waar wijlen Marcello Mastroianni onze buurman was geweest. En verder hebben we in één week 2300 kilometer afgebust. Zeer vermoeiend, maar ook zeer de moeite waard.
Ruim dertig jaar geleden was ik een tijdje conducteur op de couchettetrein van de Wagons Lits en toen kwam ik wel eens in Italië, in Milaan en in Ventimiglia. Maar het echte Italië ligt in Rome, dan wel in Toscane, in de steden Sienna, Volterra, San Gimignano, Luca, Pisa en Florence. Mamma mia, calzone di quatro staziones, wat een schoonheden! Je valt van de ene verbazing in de andere. Je komt ogen te kort. Ik kon er in ieder geval niet genoeg van krijgen, maar er schijnen mensen te bestaan die er niet tegen kunnen, die van zoveel schoonheid in de war raken.
Dat overkwam de Franse schrijver Stendhal toen hij in het begin van de 19e eeuw Florence bezocht. In de Santa Croce basiliek, het mausoleum waar renaissance grootheden als Michelangelo, Galileï en Machiavelli in hun praalgraf liggen opgebaard, klopte hem het hart in de keel. Bij het zien van zoveel schoonheid raakte de Fransman in psychotische toestand. Dat de overgevoelige Stendhal vaak en voornamelijk achter de verkeerde en meestal reeds getrouwde vrouwen aan zat, had daar misschien ook mee te maken.
Hoe vaak had ik niet een foto of een filmbeeld van het Colosseum gezien. Maar er echt bij staan is toch iets anders. Je hoorde de gladiatoren schreeuwen en de wilde roofdieren brullen. Of was dat het lawaai dat de duizenden toeristen maakten? Bij de Trévifontein was het wat dat betreft helemaal een gekkenhuis. Als je nooit in de Sint Pieter bent geweest, denk je als ongelovige calvinist misschien dat de rooms-katholieke kerk een poppenkast is. Inderdaad, maar wel een hele mooie en een hele grote. Al is hij dan ter ere van een arme timmermanszoon opgericht, hij is bepaald niet van triplex en hardboard gemaakt.
Van de Antieke Oudheid door de duistere Middeleeuwen en via het schitterende licht van de Renaissance naar het moderne en postmoderne Hier en Nu van Rotterdam is een korte vlucht maar een grote stap. Er zijn mensen die Rotterdam de mooiste stad van Nederland vinden, zo niet van de wereld, in ieder geval een wereldstad. Maar die zijn kennelijk nooit in Rome geweest.

Rome en Rotterdam, de beginklank is dezelfde maar daarmee houdt de vergelijking ook op. De eeuwige stad, oude hoofdstad van een imperium, minstens 3000 jaar oud, zetel van een wereldgodsdienst, en een provinciestad van 650 jaar zijn uiteraard onvergelijkbaar.
Zou ooit iemand zijn flauwgevallen bij het zien van de Euromast of de Erasmusbrug? Of in een psychose zijn geraakt bij het aanschouwen van de praalgraven van Johan van Brakel, Egbert Kortenaer en Witte Corneliszoon de With die in onze eigen Grote of Sint Laurenskerk al eeuwen in marmer liggen te pronken?
Heinrich Heine schreef dat Göttingen, de stad waar hij studeerde, op zijn voordeligst uitkwam als je er met de rug naar toe stond. Rotterdam toont zich op zijn fraaist als je er van enige afstand naar kijkt. Als je bijvoorbeeld vanaf de Van Brienenoordbrug de skyline ziet, dan zie je een stad liggen waar je snel naar toe wilt. Maar naarmate je dichterbij komt en als het ware de skyline binnen rijdt, dan moet je toch, zeker met de steden van Italië nog vers in het geheugen, als een soort winstwaarschuwing, je schoonheidsverwachting telkens een beetje meer naar beneden bijstellen. Het is niet anders. Roma locuta, causa finita.

Rotterdam Magazine PuntUit juni/juli 2007

12 mei 2007

Brandgrens


In de 'bonbondoos' bovenop de Van Nelle fabriek werd beslist dat de binnenstad van Rotterdam een city naar Amerikaans voorbeeld zou worden.

In het jaar dat Rotterdam zijn 600-jarig bestaan zou vieren, werd de historische binnenstad op 14 mei 1940 door 97.000 kilo Duitse brisantbommen verwoest. Wat in eeuwen was opgebouwd, werd in tien minuten vernietigd. De bommen zetten de stad in lichterlaaie, een verterend vuur loeide door de straten, door huizen en gebouwen. Waar het vuur stopte, ontstond de brandgrens, die de overgang tussen vóór en na, tussen oud en nieuw Rotterdam zou markeren.
Toen een half jaar later het puin was geruimd en op stapels gezet, leefden de Rotterdammers in een stad die er niet meer was. De dingen die het dagelijks leven vertrouwd en mededeelbaar hadden gemaakt, waren verdwenen: opschriften van winkels, straathoeken, uithangborden, etc. Op de Coolsingel stonden het Stadhuis, het Postkantoor, een hotel en een warenhuis nog overeind. Maar overal elders betwistte men elkaar waar de waterstoker had gezeten of dat de paardenslager op de hoek van die en die straat zat.
Vier dagen na het bombardement werd er al vergaderd over de plannen voor de wederopbouw. Niet door de bestuurders, maar door de havenbaronnen en industriëlen, die altijd al de dienst in de havenstad hadden uitgemaakt. Plaats van bijeenkomst: het directiekantoor, bijgenaamd ‘de bonbondoos’, in de Van Nelle fabriek, waar directeur Van der Leeuw de vergadering voorzat. Daar werd beslist dat de binnenstad een zakencentrum, een city naar Amerikaans voorbeeld zou worden.
Stadsarchitect Witteveen ontwikkelde een plan dat hij in 1941 presenteerde. Hij bepleitte om op het stramien van het oude stratenplan de binnenstad voor een groot deel te restaureren of tenminste herkenbare herbouw te realiseren. Maar dat was niet helemaal de bedoeling. Witteveen werd min of meer opzij gezet (hij nam in 1945 ontslag) en zijn assistent Van Traa, die meer geneigd was naar zijn opdrachtgevers te luisteren, maakte een nieuw plan, in feite niets meer dan een nieuw stratenplan, dat voorzag in de aanleg van brede verkeerswegen en waarin ruime kavels waren gereserveerd voor de bouw van bank- en kantoorgebouwen, winkels, warenhuizen en bedrijfspanden. Zo kregen de navolgers van het Nieuwe Bouwen vrij baan om hun dozen van glas en beton en andere Siberische tochtgaten neer te zetten en ‘aan de schepping van nieuwe maatschappelijke ordeningen mee te werken’ (Bakema).
De meeste gebouwen die het bombardement hadden overleefd en konden worden hersteld, werden omwille van het wederopbouwplan afgebroken. Het heeft maar een haar gescheeld of men had met genoegen de ruïne van de Laurenskerk gesloopt omdat die in de weg stond. De Coolsingel, voor de oorlog een kosmopolitische boulevard, hoofdstraat van een drukbevolkt gebied, waar naast handelshuizen theaters, bioscopen, dancings en grandcafés waren gevestigd, werd een verkeerweg waar na zessen het spreekwoordelijke kanon kon worden afgeschoten zonder iemand te raken. Een straat waar heden ten dage nog niemand woont omdat er geen woonhuizen zijn.
De voormalige bewoners van de binnenstad werden naar de buitenwijken en verder verwezen of werden aan hun lot overgelaten. Tienduizenden Rotterdammers hebben decennia lang bij familie ingewoond, of vonden een onderkomen in een veelal onbewoonbaar verklaarde ‘halve woning’.
Het heeft lang geduurd voordat het besef doordrong dat een binnenstad meer is dan een verzameling bedrijfsgebouwen en toevoerwegen. Momenteel is de brandgrens weer enigszins zichtbaar omdat op verschillende plaatsen de wederopbouwgebouwen worden gesloopt om plaats te maken voor de wolkenkrabbers van een nieuwe maatschappelijke ordening.
Naar een aangenomen motie van Manuel Kneepkens, voorman van de inmiddels verdwenen Stadspartij, zal de brandgrens op de een of andere wijze worden gemarkeerd. Aanstaande maandag wordt bekend gemaakt hoe dat zal gebeuren. De wens van de initiatiefnemer is een eenvoudige markering in het plaveisel. Te vrezen valt dat we daar in de postmoderne architectuurstad niet mee weg komen.

NRC Handelsblad Achterpagina, 12 mei 2007


7 mei 2007

Tiengemeten

Op 10 mei a.s. wordt het agrarische eiland Tiengemeten om zo te zeggen officieel teruggegeven aan de natuur. Vaste bewoner Ton van der Graaf schreef er een mooi boekje over ‘Over het Vuile Gat naar Tiengemeten’. Anekdotes, herinneringen, wetenswaardigheden. En natuurlijk sterke verhalen. Het boekje is voor de prijs van € 9,95 te koop in het bezoekerscentrum op het eiland en op het vasteland. Het voorwoord is van Geert Mak. Ik schreef er een gedicht voor.

Tiengemeten

Waar eens in kaarsrechte kavels,
doorsneden door nog rechter sloten,
peen en uien, graan en aarpels
aan de vruchtbare klei ontsproten

en mens en dier zich veilig waanden
achter de dijken van dit kleine land,
zal het bewerkte en het bestaande
weer opgaan in een oud verband

dat van het vasteland gescheiden
in aanvang reeds bestond: kringloop
onder het regiem van de getijden
zandbank, broedplaats, biotoop.