Rotterdam krijgt een stadsdichter. Deze nieuwe functie is een initiatief van Manuel Kneepkens, de godfather van de Stadspartij. Manuel is aan zijn laatste maanden in de gemeenteraad bezig. Al enige tijd geleden kondigde hij aan dat het mooi is geweest. Jammer. Hij is een van de weinigen die in de raad de grenzen van de politiek soms verlegt. Zijn tegenstanders noemen hem dan een clown of een nar. Ik heb hem liever dan het bos treurwilgen dat hij met zijn narrenkap regelmatig over de rooie jaagt. Hij vindt gelukkig af en toe ook medestanders. Zijn voorstel een stadsdichter te benoemen is een leuk voorbeeld, al geeft het te denken.
Het land heeft een dichter des Vaderlands. Eerst was dat Gerrit Komrij die na enige jaren afstand deed omdat hij het niet chique vond vreugdevolle gebeurtenissen zoals prinselijke geboortes en huwelijken te begeleiden met het venijn waarin hij zijn pen nu eenmaal doopt. Nu hebben we Driek van Wissen, een Groningse positivo van wie tevoren in het westen niets bekend was. Hij vervult zijn beroep met grote toewijding, geen kwaad woord over koningin of vaderland. Daarom horen we in de beschaafde wereld ook nooit van Driek. De beschaafde wereld zit nu eenmaal niet te wachten op mooie praatjes van een noordelijke inboorling.
Dat juist een avantgardistisch politicus als Manuel Kneepkens zich beijverd heeft om een negentiende-eeuws ogend instituut als de stadsdichter van de grond te krijgen, is bijzonder. In een samenleving die bol staat van de ellende, kan cultuur geen kwaad, vindt hij. Liever een sinterklaasrijm dan de taal van repressie die de politiek ons dagelijks toestuurt. In het kleine Rotterdamse literaire wereldje heeft de functie wel voor enige onrust gezorgd. Wie, oh wie zal het worden? De naam Deelder valt dan vanzelfsprekend als eerste. Maar hij zou geen goede keus zijn. Rotterdam heeft twee gegevens die kunnen scoren: Feyenoord en de haven. Nou, dan zit je bij Jules niet goed, hij kan als overtuigde profeet van Sparta de naam Feyenoord nauwelijks uit zijn strot krijgen en als de haven een succesje boekt, komt dat door de Chinezen en dan weet je wel waar dat op rijmt.
Een andere belangrijke candidaat is Rien Vroegindeweij. Hij moet het worden. Hij schrijft mooie gedichten en heeft de stad vaak als onderwerp van zijn poëzie gekozen. Bovendien stelt hij zich graag langs de zijlijn op en observeert zin en onzin op een intelligente manier. Om dit te onderstrepen citeer ik hier het devies uit zijn bundel ‘Deze middag is een eeuwig heden’ (Uitgeverij L.J. Veen, 2002).
Het land is vol gevaren,
de zee is woest en wijd:
sta als een paal boven water
in de branding van de tijd.
Harmen Jan www.portofrotterdam.nl
27 december 2005
4 december 2005
Het fenomeen en de stad
Kort na de moord op Pim Fortuyn gaf burgemeester Opstelten aan de gemeentearchivaris opdracht een reportage te maken over het ‘fenomeen’ Pim Fortuyn in de periode van zijn lijsttrekkerschap voor Leefbaar Rotterdam in 2002. Het resultaat is dit najaar bij uitgeverij Ad. Donker verschenen: Pim Fortuyn en Rotterdam, geschreven door historicus Albert Oosthoek.
Het boek heeft thrillerachtige elementen, vooral in de eerste hoofdstukken waarin zijn opkomst van dag tot dag, soms van uur tot uur, wordt beschreven en de lezer in de keuken van de lokale politiek wordt rondgeleid. De opwinding die de man bij voor- en tegenstanders teweegbracht is nog voelbaar in de vele interviews die hij aan de lokale media gaf en waaruit Oosthoek ruim citeert.
Elk optreden van Fortuyn bracht spanning en sensatie, hij bedacht zelf de clifhangers door midden in een gesprek uit een studio of van een discussietafel weg te lopen. Dat is allemaal bekend. Wat deze geschiedschrijving interessant maakt zijn de vraaggesprekken die Oosthoek met de belangrijkste betrokkenen voerde. Als het eenmaal tot een formatie van een nieuw college komt, blijkt de zogenaamde nieuwe politiek meer wandelgangen, achterkamertjes en geheime locaties nodig te hebben dan de oude politiek die hij dacht te bestrijden.
Op de bijgesloten dvd zien we zijn optredens voor het lokale televisiestation. Met zijn mediagenieke verschijning, de kale kop en de open blik die bij nadere beschouwing toch meer naar binnen is gericht, de brede stropdas en het pak met pochet neemt hij al het voorradige studiolicht in beslag, zodat zijn gesprekspartners er als bleke decorstukken bij zitten. Als de fractieleider van de Stadspartij Manuel Kneepkens hem een ‘fascist in Armani-pak’ noemt, reageert Fortuyn woedend dat hij kostuums van Oger draagt.
Het zou geestig zijn geweest als het niet zo ernstig was bedoeld. Fortuyn was niet van humor gespeend, maar hij zoog het bij wijze van spreken uit zijn eigen tepels. Zo heb ik hem ook leren kennen, lang voordat hij een politiek en publiek figuur werd. Ooit interviewde ik hem voor Rotterdam Magazine PuntUit, voor de rubriek ‘de favoriete plek van … ’. Hij woonde toen nog in een burgermanswoning aan de Randweg in Rotterdam-Zuid, waar hij ruim zicht had op de bijstandtrekkers die de hele dag bier zaten te drinken en naar de televisie zaten te kijken.
Een paar keer hebben we samen in het programma van een lezingenavond gestaan en kort daarna zag ik hem vaak op de fiets of in een klein sportwagentje in mijn straat verschijnen. Zijn grote liefde was namelijk mijn buurman. Maar nooit gaf hij enige blijk van herkenning, een groet of een praatje, wat in Rotterdam al gauw de gewoonte is.
Pim Fortuyn keek als Narcissus in de spiegel en zag alleen zichzelf. Dat hij een flinke steen in de politieke vijver heeft gegooid, is een open deur. De kikkers schrokken ervan en doken weg, maar kwaken al lang weer lustig over het gladde oppervlak van de Haagse Hofvijver.
Zijn geest waart nog door de stad, zij het op steeds grotere afstand in ruimte en tijd. Bij zijn borstbeeld in de Korte Hoogstraat worden nog waxinelichtjes aangestoken en bloemen gezet en zijn bronzen torso waakt in Oger-kostuum over Palazzo di Pietro dat zonder zijn flamboyante bewoner weer gewoon een bakstenen villa is.
Af en toe duikt zijn naam nog op in een gesprek of een discussie, bij zijn aanhangers uiteraard meer dan bij zijn tegenstanders. Maar politiek leeft van de waan van de dag waar de doden geen deel aan hebben.
PuntUit, december 2005 © Rien Vroegindeweij
Het boek heeft thrillerachtige elementen, vooral in de eerste hoofdstukken waarin zijn opkomst van dag tot dag, soms van uur tot uur, wordt beschreven en de lezer in de keuken van de lokale politiek wordt rondgeleid. De opwinding die de man bij voor- en tegenstanders teweegbracht is nog voelbaar in de vele interviews die hij aan de lokale media gaf en waaruit Oosthoek ruim citeert.
Elk optreden van Fortuyn bracht spanning en sensatie, hij bedacht zelf de clifhangers door midden in een gesprek uit een studio of van een discussietafel weg te lopen. Dat is allemaal bekend. Wat deze geschiedschrijving interessant maakt zijn de vraaggesprekken die Oosthoek met de belangrijkste betrokkenen voerde. Als het eenmaal tot een formatie van een nieuw college komt, blijkt de zogenaamde nieuwe politiek meer wandelgangen, achterkamertjes en geheime locaties nodig te hebben dan de oude politiek die hij dacht te bestrijden.
Op de bijgesloten dvd zien we zijn optredens voor het lokale televisiestation. Met zijn mediagenieke verschijning, de kale kop en de open blik die bij nadere beschouwing toch meer naar binnen is gericht, de brede stropdas en het pak met pochet neemt hij al het voorradige studiolicht in beslag, zodat zijn gesprekspartners er als bleke decorstukken bij zitten. Als de fractieleider van de Stadspartij Manuel Kneepkens hem een ‘fascist in Armani-pak’ noemt, reageert Fortuyn woedend dat hij kostuums van Oger draagt.
Het zou geestig zijn geweest als het niet zo ernstig was bedoeld. Fortuyn was niet van humor gespeend, maar hij zoog het bij wijze van spreken uit zijn eigen tepels. Zo heb ik hem ook leren kennen, lang voordat hij een politiek en publiek figuur werd. Ooit interviewde ik hem voor Rotterdam Magazine PuntUit, voor de rubriek ‘de favoriete plek van … ’. Hij woonde toen nog in een burgermanswoning aan de Randweg in Rotterdam-Zuid, waar hij ruim zicht had op de bijstandtrekkers die de hele dag bier zaten te drinken en naar de televisie zaten te kijken.
Een paar keer hebben we samen in het programma van een lezingenavond gestaan en kort daarna zag ik hem vaak op de fiets of in een klein sportwagentje in mijn straat verschijnen. Zijn grote liefde was namelijk mijn buurman. Maar nooit gaf hij enige blijk van herkenning, een groet of een praatje, wat in Rotterdam al gauw de gewoonte is.
Pim Fortuyn keek als Narcissus in de spiegel en zag alleen zichzelf. Dat hij een flinke steen in de politieke vijver heeft gegooid, is een open deur. De kikkers schrokken ervan en doken weg, maar kwaken al lang weer lustig over het gladde oppervlak van de Haagse Hofvijver.
Zijn geest waart nog door de stad, zij het op steeds grotere afstand in ruimte en tijd. Bij zijn borstbeeld in de Korte Hoogstraat worden nog waxinelichtjes aangestoken en bloemen gezet en zijn bronzen torso waakt in Oger-kostuum over Palazzo di Pietro dat zonder zijn flamboyante bewoner weer gewoon een bakstenen villa is.
Af en toe duikt zijn naam nog op in een gesprek of een discussie, bij zijn aanhangers uiteraard meer dan bij zijn tegenstanders. Maar politiek leeft van de waan van de dag waar de doden geen deel aan hebben.
PuntUit, december 2005 © Rien Vroegindeweij
1 december 2005
Ik ben ver weg / Hier ben ik

Foto: Hansje de Reuver
In het gedicht I remember Anna beschrijft C.B. Vaandrager (1935-1992) een bezoek aan Anna Blaman in haar destijds beroemde en veelbeschreven kamer in haar ouderlijk huis in de De Vliegerstraat in Rotterdam-West, waar zij tot haar dood in 1960 woonde: “Het stierf er van de katten. Ze lag altijd in bed of op een divan onder de dekens. Ze was altijd ontzettend hartelijk. Ik vond haar ontzettend lelijk en ontzettend aardig. Maar laten we eerlijk zijn: schrijven kon ze niet.”
De dichter vervolgt dat “deze welgemeende regels mij te binnen schoten onder het genot van een kopje espresso in de Bijenkorf”en dat hij speciaal voor Anna Blaman is overgestoken naar het postkantoor om een pen te bemachtigen en ze aan het papier (‘een zakje van de Hema’) toe te vertrouwen. Het was niet zijn laatste betoon van negatieve dienstbaarheid.
Het gedicht, dat in 1964 in Gard Sivik werd gepubliceerd, is Blaman nooit onder ogen gekomen. Maar haar zus Corrie Lührs, volgens Alfred Kossmann ‘haar inhalige en onbetrouwbare biografe’, was het in het verkeerde keelgat geschoten. Zij zat in de jury van de Anna Blamanprijs en bezwoer dat zolang zij leefde die prijs niet aan C. B. Vaandrager zou worden uitgereikt.
Zodra zij was overleden kreeg Vaandrager de Anna Blamanprijs, zij het dat deze voor de gelegenheid werd omgezet in een ‘stipendium met een literaire opdracht’. Want het bestuur van de enige literaire prijs die de cultuurstad Rotterdam te vergeven heeft, vreesde dat het bedrag van tienduizend gulden aan drugs zou worden besteed. De opdracht bestond uit het schrijven van de dichtbundel Met een vleeswagen naar Parijs, waarvan het titelgedicht in het juryrapport was opgenomen.
Een veelbelovend begin, want het is een mooi gedicht. Maar de bundel is nooit verschenen. Niettemin had het blijk van erkenning een stimulerende invloed op de man die als geen andere Nederlandse schrijver zo vaak zijn comeback heeft gemaakt. Vanaf zijn debuut in 1960 was elk boek als een wederopstanding verwelkomd. Hij kwam telkens weer terug van weggeweest, terug uit het diepe dal van depressies, zelfmoordpogingen en psychiatrische inrichtingen. ‘Ik ben ver weg / hier ben ik’ schreef hij eens. Maar wie steeds weg is, kan niet de schrijver voor een groot publiek worden die hij zijns ondanks wilde zijn.
Wat wilde hij eigenlijk, deze Vaandrager? Schrijven en publiceren was hem niet genoeg. Hij wilde heersen over het kleine literaire wereldje van Rotterdam. In zijn autobiografische roman De Hef (1975) had hij iedereen die hem te na kwam voor alles en nog wat uitgemaakt. Op zijn nachtelijke tochten door de stad verwijderde hij naamplaatjes en bellen van de deurposten, bedreigde vriend en vijand met fietspomp, schroevendraaier of honkbalknuppel. Jules Deelder kon zich ternauwernood vastgrijpen toen hij hem bovenaan een hoge trap in een jazzcafé een duw gaf.
Op een nacht sloeg hij de etalageruit van de poëziewinkel W. Pieterse aan diggelen. Een toevallige voorbijganger zag hem temidden van de glasscherven zitten. Op de vraag wat meneer daar deed, antwoordde hij: “Ik zoek mijn contactlenzen.” Bij die gelegenheid nam hij ook het geldkistje mee, waarin overigens niets anders zat dan de schuldbekentenissen van de drie vrijwilligers die de winkel bedienden. Die zijn daar toen mooi van af gekomen.
In 1981 verscheen bij De Bezige Bij Vaandrager’s totale poëzie, samengesteld door zijn jeugdvriend Hans Sleutelaar, met wie hij na jaren van verwijdering en die hij eerder hartgrondig dood had gewenst, weer on speaking terms was geraakt. Er verschenen nog twee dichtbundels, grimmige poëzie, sardonische humor, voor wie de vaak cryptische teksten kon volgen. Bij een optreden op Poetry International waren zijn eerste, welgemeende woorden tot het publiek: “Ik heb u niet lief.”
Het toneel waarop hij zijn gedrogeerde donquichotterie over het voetlicht trachtte te brengen is het Rotterdam van de Oude Binnenweg, van het café ‘waar de klok al 30 jaar op tien voor drie is blijven staan’(Deelder) en de flash-houses waar de chemische gemeente van Rotterdam en omstreken zijn destructieve diensten hield. Maar de literaire avant-gardist had op enkele talentloze epigonen na geen achterhoede meer die hem op zijn gevaarlijke missies volgde. De kring van vrienden die zich zijn lot aantrokken werd steeds kleiner.
In de documentaire ‘Exiting’, die programmamaker Bob Visser in 1996 over hem maakte, zegt een van de geïnterviewden: “Hij begon als Cornelis Bastiaan Vaandrager, toen werd het Vaandrager en tenslotte Vaan. Er bleef niets meer van hem over.”
Op 18 maart 1992 stierf hij in een ziekenhuis aan de gevolgen van een longontsteking. Vandaag verschijnt zijn biografie: VAAN - het bewogen bestaan van C.B. Vaandrager. Ik ben benieuwd of zijn biograaf Menno Schenke hem op het voetstuk heeft geplaatst dat hij zeker verdient. Al is het alleen maar voor het tiental schitterende gedichten waarmee hij debuteerde.
Achterpagina NRC Handelsblad (1-12-2005) © Rien Vroegindeweij
10 oktober 2005
Kikker of prins

Op de website van The Knot (weddings.theknot.com) wordt het huwelijk aangekondigd van Arlyn Kvares en Pablo van Dijk. Over de bruidegom dadelijk, maar eerst de bruid. Ze stelt zich voor met die mengeling van naïviteit en optimisme waarmee geloof ik alleen Amerikanen zowel in het huwelijk kunnen treden als oorlog voeren.
Arlyn is bezigheidstherapeut, gespecialiseerd in kindergeneeskunde. Haar hobby’s’ zijn schrijven en ‘comedy’. Na twintig jaar van ‘dating’ begon ze de hoop te verliezen ooit nog een partner te vinden waarmee ze verder door het leven kon. Maar het wonder is geschied. Na vele kikkers te hebben gekust liep op haar 34e de ware prins haar leven binnen, een geluk dat ze nu graag met familie en vrienden wil delen.
Over haar aanstaande echtgenoot schrijft ze in een kennelijke staat van opwinding wat elke man zou wensen dat zijn verloofde de wereld over hem wil laten weten. Hij is de zeldzame schat, een meester in vele zaken en uiteraard de ware liefde van haar leven.
Het geluk begon vorig jaar op een Halloween feestje, waar hij als clown verkleed was en zij als de blonde Felicity Shagwell uit de Austin Powers films. Op haar onthulling dat zij niet echt een blondine was, antwoordde de clown: “It doesn’t matter. You’re my new wife.” Drie dagen later deed hij haar een huwelijksaanzoek en sindsdien woont het paar samen in “the one and only Gotham City of Manhattan”, in dit bijzondere geval wellicht te vertalen met in de Zevende Hemel.
Op de foto waarmee de Wedding Webpage opent zien we inderdaad een stralende Arlyn. Naast haar een man van middelbare leeftijd met een grijze lok in het haar en een clowneske uitdrukking op zijn gezicht, alsof het Halloween partijtje nog niet is afgelopen. Als zijn naam er niet bijgestaan had, zou ik in hem de slanke krullenbol van vijfentwintig jaar geleden niet hebben herkend.
In de jaren tachtig was Pablo van Dijk de meest spraakmakende uitgever en galeriehouder van Rotterdam. Een jongeman met een innemende verschijning en een dadendrang die het door bezadigde kunstambtenaren beheerste kunstwereldje op zijn kop en vaak ook naar zijn hand wist te zetten. Toen hij zijn zinnen had gezet om een oud herenhuis aan de Westersingel tot galerie te verbouwen, kreeg hij de Rotterdamse Kunststichting zover het hele jaarbudget voor de beeldende kunsten daaraan te besteden.
Met zijn toen al tweede echtgenote Pandora Tabatabai Asbaghi vormde hij een paar dat als Rotterdam een grachtengordel had gehad zij daarin door velen bewonderd hadden kunnen spelevaren. Ze gaven prachtige boeken van schrijvers en kunstenaars uit, bibliofiele uitgaven van het genre nieuw antiek, waarin overigens niet zelden enorme drukfouten voorkwamen. Maar die werden vergeven door de unieke vormgeving. In hun galerie Bébert, genoemd naar de kat van Louis Ferninand Céline, toonden zij de nieuwste moderne kunst.
Dat zette bij de locale kunstenaars die door het paar niet goed genoeg werden bevonden kwaad bloed en maakte boze tongen los. Met Rotterdamse nuchterheid vroeg men zich af; “Waar doen ze het van?” In de locale mythevorming rond het paar ontstond het verhaal dat Pandora een Perzische prinses van grote rijkdom was, anderen beweerden haar nog achter de kassa bij de Hema te hebben gezien.
Maar ineens was het sprookje over en uit. Ik herinner me nog de schok die over de culturele as van Rotterdam ging toen het bericht de ronde deed dat Pablo er met een Amerikaanse van door was. In de jaren daarna hoorden en lazen we (o.a. van Arnon Grunberg) van zijn praktijken in de Newse Yorkse kunsthandel die niet altijd tot ieders tevredenheid werden afgehandeld.
New York-gangers kwamen thuis met verhalen over de vrouwen die om de zoveel jaar met een verpletterend “It doesn’t matter. Your my new wife.” werden veroverd. Op afstand hoop ik voor de mij onbekende Arlyn Kvares dat haar prins toch niet een kikker blijkt te zijn.
Rotterdam PuntUit, oktober 2005 © Rien Vroegindeweij
1 oktober 2005
In alles is een oogopslag

Van Oldenbarneveltstraat 121
Op een mooie zomerdag heb ik op verzoek van de Gemeentebibliotheek een literaire wandeling door het centrum van Rotterdam geleid. Een tocht door een imaginair museum, want juist het centrum is het gebied waar niets meer over is van de plaatsen waar schrijvers en dichters, of de personages die zij hebben geschapen, hebben geleefd, gewoond en gewerkt. Dat heeft niet alleen te maken met het grote bombardement van 14 mei 1940, al lang voor die tijd was er al veel van de oude, historische stad verdwenen.
Anders dan bijvoorbeeld Frits Abrahams die onlangs op deze pagina de Amsterdamse gangen van de Haagse schrijver F. Bordewijk beschreef, zou een tocht langs de plaatsen en adressen die in Bordewijks beroemde Rotterdamse roman Karakter een belangrijke rol spelen niet zijn te verwezenlijken. Ook de Handelsschool aan het Van Alkemadeplein waar Bordewijk les in handelsrecht gaf en waar hij zijn roman Bint zou lokaliseren, bestaan beide, school en plein, niet meer.
En hoe roep je in de zondagse drukte van Koopgoot en Coolsingel het beeld op van dr. J. H. Leopold (1865-1925), dichter en leraar klassieke talen aan het Erasmiaans Gymnasium, dat ongeveer op de plek was gevestigd waar nu de groene reuzenflacon van het World Trade Center staat? Het zou mooi zijn geweest als we een glas bier hadden kunnen drinken in het café waar hij vrijwel dagelijks ‘s avonds op slag van elven zijn goede vriend en collega Kronenberg ontmoette. Of tot besluit van de wandeling iets te nuttigen in restaurant Martinot aan de Nieuwe Binnenweg, waar ze jaren lang gezamenlijk de maaltijd gebruikten en dat ten slotte het toneel werd van een tragikomische voorstelling toen ze elk aan een andere tafel met de rug naar elkaar toe zaten.
Over Leopold is veel geschreven, zowel over de dichter als over de classicus. Persoonlijke herinneringen van collega’s en leerlingen getuigen van zijn grote gaven en betrokkenheid als leraar, zijn eruditie, zijn sportiviteit en zijn gevoel voor humor. Maar alle verhalen eindigen in de mineur over de laatste jaren van zijn leven. Tijdgenoten hebben hem in die tijd beschreven als een in zichzelf gekeerde man, die wandelend op het Van Hoogendorpplein (thans Churchillplein) zich achter een krant verschool als er een bekende aankwam.
Nadat hij was gepasseerd voor verschillende functies, waarvoor hij op grond van zijn verdiensten en anciënniteit in aanmerking kwam, ontstond er verwijdering van het lerarencorps en naar mate hij last kreeg van een toenemende doofheid werd hem ook de omgang met leerlingen tot een kwellende last. Vriendschappen werden zonder opgaaf van reden beëindigd.
In september 1924 diende hij om gezondheidsredenen een verzoek tot ontslag in van het Erasmiaans Gymnasium, waar hij sinds 1891 werkzaam was geweest.
Het ontslag werd hem in de Raadszitting van 7 augustus eervol verleend waarbij men beleefdheidshalve niet vergat zijn grote verdiensten voor het gymnasium te prijzen. Nog geen jaar later, op 21 juni 1925, overleed hij kort na zijn zestigste verjaardag aan pleuritis in huurkamer in de Van Oldenbarneveltstraat.
Er zijn meer plaatsen in Rotterdam die aan Leopold herinneren. Na zijn dood schonken de erven een groot deel van zijn boekenbezit aan de Gemeentebibliotheek. De circa duizend boeken werden aanvankelijk verspreid over de algemene uitleencollectie. Maar in de jaren tachtig zijn ze door de conservatrice van de Bijzondere Collecties (w.o. Erasmus en de librije van de Laurenskerk) als de Leopoldcollectie bijeengebracht en worden ze in zuurvrije dozen en een geklimatiseerde afdeling bewaard.
Heel lang heeft in het rosarium achter museum Boijmans van Beuningen een muurtje gestaan waarop zijn portret in bronzen bas-reliëf, gemaakt door Charlotte van Pallandt, en een kwatrijn waarvan de interpunctie niet helemaal overeenstemt met de teksteditie. Het staat nu bij de ingang van het huidige Erasmiaans Gymnasium, waar tevens de regel zie, zie, wat mag er achter zijn? in neon is aangebracht. Ook aan de gevel van een restaurant in de Witte de Withstraat staat in neon een regel: in alles is een oogopslag.
En als door een wonder is op de brandgrens van het verwoestende bombardement het deel van de straat gespaard gebleven, waar hij vrijwel zijn hele werkzame leven op een gemeubileerde kamer heeft gewoond. Honderdveertig jaar geleden geboren, tachtig jaar geleden overleden. Een bescheiden herdenking zou op zijn plaats zijn geweest. Bijvoorbeeld door op nummer 121 in de Van Oldenbarneveltstraat een plaquette te bevestigen met de inscriptie dat hier een van de grootste dichters van Nederland heeft gewoond.
Achterpagina NRC Handelsblad (enigszins gewijzigd 30-9-2005) © Rien Vroegindeweij
24 september 2005
Rampenplan

Uit de reconstructie van de watersnood van 1953, die journalist Kees Slager in zijn lijvige boek ‘De ramp’ beschrijft, kunnen we concluderen dat niet de onberekenbare kracht van de natuur, maar de zwakte van het bestuur voor de grootste ellende heeft gezorgd. Zwakte die zich uitte in hooghartigheid. Het was vaak het nederige woord van de mannen van de polders, boeren, landarbeiders en dijkbewoners tegen de vermeende deskundigheid van dijkgraven, burgemeesters en waterbouwkundigen.
De overheid was lang van te voren gewaarschuwd voor de belabberde staat waarin waterkeringen verkeerden, lokale autoriteiten werd gewezen op de ondeugdelijkheid van de ‘coupures’. Een coupure is een opening in een dijk die bij hoog water met vloedplanken wordt afgesloten. Maar toen de nood het hoogst was waren op veel plaatsen de planken niet te vinden of zodanig verrot dat het water er gemakkelijk door heen stroomde.
In de nacht van zaterdag op zondag 1 februari stonden op verschillende plaatsen in de delta van Rijn, Maas en Schelde mannen op een dijk, bij een gemaal of een sluis te kijken wat het water deed. Ze zagen het ergste aankomen. Maar om de noodklok te luiden was toestemming van de burgemeester nodig. Er zijn gevallen bekend dat men de man niet durfde te storen omdat hij zijn bridgeavondje had of lag te slapen. Of als de toestemming was gegeven er geen klokkentouw was omdat de toren van een elektrische luidinstallatie was voorzien waar je niets mee kan als de stroom is uitgevallen.
De vraag of een overstroming zoals in New Orleans zich ook in Nederland kan voordoen, werd in NRC Handelsblad van donderdag 15 september door verschillende waterbouwkundigen beantwoord. Waterbeheerders van het ministerie van Verkeer en Waterstaat achten de kans erg klein omdat het beveiligingsniveau hier vele malen hoger is dan in New Orleans en wij geen tropische orkanen kennen.
Wie zal het weten. Er zwemmen nu al exotische warmwater vissen in de Noordzee, dus het zou zomaar kunnen dat een verdwaalde orkaan zijn oog daarop laat vallen. Bovendien, alle hoogleraren, watermanagers en voorzitters die zich met de waterhuishouding en rampenbestrijding bezighouden zijn het er over eens dat die kans wel degelijk bestaat.
In 1953 was de OBHW (Officier Belast met Hulp bij Watersnood) niet geabonneerd op berichtgeving van de Stormvloedwaarschuwingsdienst van het KNMI, zodat er geen maatregelen voor hulp werden getroffen. Instanties die dat wel waren, zoals Rijkswaterstaat, werden per telegram tot de hoogste paraatheid gewaarschuwd. Maar ze deden er niets mee. Ook nu blijken de rampenplannen niet te deugen en de verschillende diensten niet op elkaar te zijn afgestemd. .
Als kind heb ik de watersnood van 1953 meegemaakt. Ik herinner me nog goed dat onze evacuatie werd aangekondigd door de dorpsomroeper die in een roeiboot door onze straat voer. Maar de evacuatie van toen was een oefening vergeleken bij wat ons mogelijk te wachten staat als de dijkring met Rotterdam en Den Haag binnen één etmaal volloopt met water en er twee miljoen mensen geëvacueerd moeten worden. .
Ik stel het me voor. Drie, vier meter water in de straten van Rotterdam, met zijn vele muziekfestivals en zijn grote arme bevolkingsgroepen toch een beetje het New Orleans van de Lage landen. We zullen er snel bij moeten zijn, want we wonen op een beletage, dus met souterrain, dat nu al bij de geringste wolkbreuk onder loopt.
Waar moeten we heen? Ik besef nu dat ik slechts één bevriend echtpaar ken dat veertien hoog in een wolkenkrabber in het centrum van de stad woont. Maar die hebben kinderen en kleinkinderen, daar zal voor ons geen plaats zijn. Ik herinner me spontaan een oude tante die in een bejaardenwoning ergens op de Hoge Veluwe woont. Die zal ons zien aankomen. Als we dan al niet in de file vóór de Utrechtse Heuvelrug door het water zijn ingehaald.
© Rien Vroegindeweij
15 september 2005
Afschrijven
Uit de kast met ‘afgeschreven’ boeken van de Gemeentebibliotheek in mijn woonplaats kocht ik voor één euro Ruisend gruis, de laatste roman van W. F. Hermans (1921-1995). Het boekje van amper honderd bladzijden dat in het sterfjaar van de schrijver door De Bezige Bij werd uitgegeven, behoorde oorspronkelijk tot de collectie van het filiaal in IJsselmonde. Maar daar had het kennelijk weinig lezers gevonden, want op het schutblad stond in bleek stempelinkt dat het was ‘afgeschreven door de Gemeentebibliotheek Rotterdam’.
In tegenstelling tot wat ik altijd heb gedacht, hebben de bibliotheken in Nederland, behalve de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, geen bewaarfunctie. Boeken waarvan de bibliothecarissen het vermoeden hebben dat ze niet zullen worden uitgeleend, worden ook niet of nauwelijks meer door de Stichting Bibliotheekdienst ingekocht. Zo kan het voorkomen dat van het educatieve kinderboek ‘Jantje leert op het potje zitten’ vijfhonderd exemplaren werden besteld, terwijl de uitgever van de prachtig verzorgde ‘De correspondentie van Desiderius Erasmus’ een bestelling van elf exemplaren voor alle bibliotheken in Nederland kreeg geplaatst.
Uit de bestaande collecties worden de boeken die geen leners vinden na verloop van tijd opgeruimd en te koop aangeboden om fysiek en financieel plaats te maken voor nieuwe boeken en in toenemende mate voor audiovisuele producten. Of voor lampenkappen.
Want mijn bibliotheek mag dan klagen over gebrek aan ruimte en geld voor opslag en uitbreiding van de collectie, vijf jaar geleden was er ruimte en geld genoeg om alle zes verdiepingen vol te hangen met enorme witte lampenkappen. Niet zomaar ergens eentje voor in een hoekje met een boekje, maar echt tientallen naast elkaar. Een hemel van lampenkappen, model schemerlamp, conisch gevormd, breedste doorsnee één meter. Je ziet ze wel in de villa’s van Kralingen en Hillegersberg waar ze bij het intreden van de schemering een tot inbraak uitnodigend licht laten vallen op de Friese staartklok en andere kostbaarheden.
Ik heb het vermoeden dat ze niet zijn opgehangen voor een optimale verlichting, maar voor de vormgeving. Zoals bij elke ‘noodlijdende’ overheidsdienst werd ook hier de eerste nood gelenigd met een interne verbouwing, op z’n minst een nieuwe balie, nieuw briefpapier, kortom, een nieuwe huisstijl. Ondertussen moeten er heel wat boeken worden afgeschreven om de lampenkappen af te schrijven.
Overigens is afschrijven de trend in boekenland. Het schijnt dat Jan de Slegte al op de Frankfurter Buchmesse onderhandelingen voert met Nederlandse uitgevers over welke boeken rijp zijn voor de ramsj, terwijl ze nog moeten verschijnen. In het grote boekenpaleis van Donner aan de Lijnbaan in Rotterdam wordt regelmatig omgeroepen dat er op ramsjafdeling licht beschadigde boeken voor de helft van de prijs worden aangeboden. De beschadiging bestaat uit niet meer dan een viltstiftstreepje dat de boekhandelaar zelf op de snijkant van het boek heeft gezet. Kwestie van afschrijven.
Het zijn geen boeken die jaren lang in de kast staan te verstoffen, geen winkeldochters, maar nieuwe boeken die soms niet ouder dan een half jaar zijn. De oplettende koper doet er zijn voordeel mee, want hetzelfde boek ligt nog onbeschadigd en voor de volle prijs op een andere afdeling. Het zal bibliofielen een gruwel zijn, maar van die viltstiftstreep op de snijkant zie je helemaal niets als het thuis in de kast staat.
De schrijver schrijft, de boekhouder schrijft af. Met de bedrieglijk lage europrijs, is het kopen van een boek een bezigheid geworden waarvoor enige vakkennis vereist is. Nu de najaarsaanbiedingen binnenkomen, is het afwachten welke titels binnen afzienbare tijd een beschadiging zullen oplopen.
Achterpagina NRC Handelsblad (15-9-2005) © Rien Vroegindeweij
In tegenstelling tot wat ik altijd heb gedacht, hebben de bibliotheken in Nederland, behalve de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, geen bewaarfunctie. Boeken waarvan de bibliothecarissen het vermoeden hebben dat ze niet zullen worden uitgeleend, worden ook niet of nauwelijks meer door de Stichting Bibliotheekdienst ingekocht. Zo kan het voorkomen dat van het educatieve kinderboek ‘Jantje leert op het potje zitten’ vijfhonderd exemplaren werden besteld, terwijl de uitgever van de prachtig verzorgde ‘De correspondentie van Desiderius Erasmus’ een bestelling van elf exemplaren voor alle bibliotheken in Nederland kreeg geplaatst.
Uit de bestaande collecties worden de boeken die geen leners vinden na verloop van tijd opgeruimd en te koop aangeboden om fysiek en financieel plaats te maken voor nieuwe boeken en in toenemende mate voor audiovisuele producten. Of voor lampenkappen.
Want mijn bibliotheek mag dan klagen over gebrek aan ruimte en geld voor opslag en uitbreiding van de collectie, vijf jaar geleden was er ruimte en geld genoeg om alle zes verdiepingen vol te hangen met enorme witte lampenkappen. Niet zomaar ergens eentje voor in een hoekje met een boekje, maar echt tientallen naast elkaar. Een hemel van lampenkappen, model schemerlamp, conisch gevormd, breedste doorsnee één meter. Je ziet ze wel in de villa’s van Kralingen en Hillegersberg waar ze bij het intreden van de schemering een tot inbraak uitnodigend licht laten vallen op de Friese staartklok en andere kostbaarheden.
Ik heb het vermoeden dat ze niet zijn opgehangen voor een optimale verlichting, maar voor de vormgeving. Zoals bij elke ‘noodlijdende’ overheidsdienst werd ook hier de eerste nood gelenigd met een interne verbouwing, op z’n minst een nieuwe balie, nieuw briefpapier, kortom, een nieuwe huisstijl. Ondertussen moeten er heel wat boeken worden afgeschreven om de lampenkappen af te schrijven.
Overigens is afschrijven de trend in boekenland. Het schijnt dat Jan de Slegte al op de Frankfurter Buchmesse onderhandelingen voert met Nederlandse uitgevers over welke boeken rijp zijn voor de ramsj, terwijl ze nog moeten verschijnen. In het grote boekenpaleis van Donner aan de Lijnbaan in Rotterdam wordt regelmatig omgeroepen dat er op ramsjafdeling licht beschadigde boeken voor de helft van de prijs worden aangeboden. De beschadiging bestaat uit niet meer dan een viltstiftstreepje dat de boekhandelaar zelf op de snijkant van het boek heeft gezet. Kwestie van afschrijven.
Het zijn geen boeken die jaren lang in de kast staan te verstoffen, geen winkeldochters, maar nieuwe boeken die soms niet ouder dan een half jaar zijn. De oplettende koper doet er zijn voordeel mee, want hetzelfde boek ligt nog onbeschadigd en voor de volle prijs op een andere afdeling. Het zal bibliofielen een gruwel zijn, maar van die viltstiftstreep op de snijkant zie je helemaal niets als het thuis in de kast staat.
De schrijver schrijft, de boekhouder schrijft af. Met de bedrieglijk lage europrijs, is het kopen van een boek een bezigheid geworden waarvoor enige vakkennis vereist is. Nu de najaarsaanbiedingen binnenkomen, is het afwachten welke titels binnen afzienbare tijd een beschadiging zullen oplopen.
Achterpagina NRC Handelsblad (15-9-2005) © Rien Vroegindeweij
Abonneren op:
Posts (Atom)